Ascencion

Ascencion

Ascencion

Pueblo de la Madre de Dios de Ascención. Dat is de originele naam van de bario op Bándabou die we nu kennen als Ascencion.  In oude Hollandse geschriften werd ook de spelling Asjoensjon aangetroffen, in de 17e eeuw zelf verbasterd tot San Sioen en in de volksmond heet het Shenshón.

Het is één van de oudste bario’s op Curaçao: Al bij de Spaanse verovering in 1499 trof men hier een indiaanse bevolking aan. Bij aankomst van de Nederlanders in 1634 was hun aantal 450 waarvan 250 gekernstend waren door de Spanjaarden. Rond 1540 bouwden zij hier ook één van de eerste kapelletjes op het eiland en de lokale bevolking kreeg zelfs een eigen pastoor.

Namen als Padiki, Charomba, Bachuri , Busumúru (alias Seru Kunuku kas) en de ten noorden van Seru Magasina  gelegen Ro’i Indjan, herinneren nog aan deze eerste bewoners. Door de pastoor /archeoloog van Koolwijk is hier een indianenwoonplaats gevonden en ook onderzoeken door de volkenkundige Brenneker en de bioloog H.E. Coomans  in 1958 en 1959 gaven aan dat Ascencion een belangrijke woonplaats was van Caiquetios indianen.

Ascencion betekent Hemelvaart en ligt aan de Weg naar Westpunt, ten zuiden van Barber. Het wordt verder begrensd door de voormalige plantages Fontein, Patrick, San Pedro en Sumbu en de kleine kunuku’s Duinkerken en Caridat.

Historie

Tegenwoordig maken Oliba, Pal’i lele de dienst uit in het vroegere hofje van Ascencion net als de Wabi en de Indju die zich in alle kronkels buigen om het zonlicht op te kunnen vangen tussen de hoge manzaliñabomen. Ook zijn in het gebied restanten van diverse faha’s te zien. Deze dammetjes zijn aangelegd om de sterke stroming van het regenwater in de rooien te breken. Hierdoor wordt het water gedwongen in de grond door te dringen ten behoeve van de vegetatie en wordt ook erosie voorkomen.

Networking

Na de Nederlandse verovering bleef de indiaanse bevolking op Ascencion wonen, maar onderhielden- naar achteraf bleek- goede connecties met de Spanjaarden. Zo werd er nog handel gedreven tussen beide bevolkingsgroepen. En kwam er eind januari 1635 een kano vanuit Coro in de baai van Sint Marie die 7 indianen van Ascencion wegvoerde. Er zou zelfs een grotere groep zijn vertrokken als er meerdere kano’s waren geland. De   directeur des eilands vond zich door dit incident genoodzaakt de indianen grotendeels van Ascencion naar het Ruiterkwartier  aan de tegenwoordige Schouwburgweg over te brengen. Dit, om ‘vermeende spionage, opstokerij, sluikse bezoeken en zelfs ‘ontvoering’ door de Spanjaarden te voorkomen’.

Ascencion werd later ingericht als kwartier voor het leger en de resterende indianen verhuisden met hun leider, Bartolomeo, naar het huidige Bartol in het nabijgelegen Wacawa.

De slag bij Ascencion

Plantage

Ascencion is ook één der oudste plantages op het eiland. Het is in 1672 aangelegd door Juriaan Jansz- Exteen. Een dochter van Exteen, Barbara, nam later het aangrenzende Kabrietenberg in bezit en stichtte een plantage dat niet meer als zodanig bestaat. Daar ligt wel het dorpje dat afgeleid is van haar naam: Barber.

Plantage Ascencion was in 1695 ongeveer 490 ha groot en leverde toen maïs, bonen, katoen, fruit en indigo. De indigobakken van Ascencion werden in 2011 ontdekt door de Archeologische Werkgroep , vlakbij een waterplaats en zwaar beschadigd door erosie. Ascencion had later, van 1840 tot 1870, ook aloë- culturen, een uitgebreide veestapel en ook fosfaatwinning werd aangewend als bron van inkomst.

Fosfaatmijn

Zo probeerde men in 1886 fosfaat te o bij Ascencionfosfaatmijn ligt in het noordwestelijk gedeelte van de Seru Maishi (70 m). De diverse proefmijnen, een spoordijk, hopen fosfaatstenen en de ruïne van een gebouwtje zijn stille getuigen van een avontuur dat maar kort heeft geduurd:

De plantage werd door de respectievelijke eigenaars vaak gedwongen verkocht of geveild in verband met misoogsten en verslechterde economische situatie. Uitzondering was de koopman L. Namias die voor lange tijd eigenaar was van de plantage, namelijk van 1869 tot 1902.

Landhuis Ascencion was het decor voor een belangrijk gedeelte van de roman Mijn zuster de negerin van Cola Debrot (1935) die hier voor korte tijd heeft gewoond gedurende de 20e eeuw.

Restauratie

In 1960 werd 61 hectaren grond met daarop staande landhuis aangekocht door de Stichting Monumentenzorg Curaçao om te voorkomen dat het in verval zou raken. Het landhuis is in 1963 volledig gerestaureerd, onder leiding van Serge Alexenho, inclusief het plafond dat in oorspronkelijke stijl uit Surinaamse mahoniehout was vervaardigd. Ook gerestaureerd zijn twee mangasina’s die vlak naast het landhuis staan. Het landhuis is sinds 1965 in gebruik als vormingscentrum van de Koninklijke Marine.

Tom Janga ontwierp in 1967 een eenvoudige kapel en een vrijstaande klokkentoren waar oecomenische diensten worden gehouden.

Shon Martin

Tegenover de ingang van het landhuis van Ascencion bevindt zich ligt op klein heuveltje het Graf di Ascencion. Het is het  cilindergraf van Shon Martin, één van de laatste opzichters van  Ascension. Hij was een wreedaard en gedroeg zich alsof hij de Shon (eigenaar, meester) van de plantage was, reden waarom hij ‘martin’ (hamer) werd genoemd. Dus werd hij voor straf op zijn buik begraven zodat hij voor eeuwig betrokken zou blijven bij het leven op Ascencion en zijn ziel nooit meer rust zou vinden.

Volgens een andere versie in Sambumbu van Brenneker was het juist Shon Martin’s laatste wens om hier op zijn buik te worden begraven zodat hij kon zien hoe het Ascencion zou vergaan.

Brenneker heeft nog gesproken met de toen 85-jarige Louis Felipi, ook wel Louis Sambo of Om Wie genaamd. Om Wie was een voormalige vitó ( opzichter) van Ascencion: een lange rechtop lopende man met een fenomenaal geheugen die vele verhalen uit de slaventijd wist te vertellen zoals hij die gehoord had van oudere mensen. Hij was één van de beste kenners van Gené, de taal der slaafgemaakten. Hij vertelde ook dat de slaafgemaakten op grote plantages niet gebrandmerkt werden, maar een bepaalde inkeping in het oor of een messnee in het gezicht kregen als bewijs dat zij het bezit waren van de shon.

Boka Shenshón  

Boka Ascencion, oftewel Boka Shenshón is de grote inham aan de noordkust van Ascension, waar voorbijtrekkende schildpadden zich tegoed doen aan turtle grass en manatee grass alvorens een lange reis te ondernemen naar Venezuela of zelfs Honduras. Ook Manatee’s komen hier een enkel keertje langs.

De ingang van Boka Ascencion gaat over in een ondiepe baai, door indianen vroeger Charomba genoemd. Het werd door hen gebruikt voor de aanleg van een kleine zoutpan. Het staat tegenwoordig bekend als Plastic Baai: Boka Ascencion, maar vooral Boka Padiki liggen in een grote bocht aan de noordkust. Door deze draaiing van de kust naar de windrichting wordt bij Boca Ascencion meer afval, vooral plastic, aan land gedeponeerd.

Dit achterland van Boca Ascencion wordt opgefleurd door opvallend groene velden van Sanseli die het goed doet op  drassige, zoute bodems.

De afgelopen jaren is er ook een sterke toename van aangespoelde Sargassum wier dat soms de hele baai opvult. Om te voorkomen dat schildpadden hierin verstikt raken en om de stank van het rottende wier te verminderen, wordt het door vrijwilligers periodiek verwijderd.

Fort Bachuri

Dit is een geheel onbekend fort waarvan nog maar een klein deel bestaat. Het ligt vlak naast Boka Ascencion langs de weg naar de vlakte van San Pedro. Evenals Fort Kloof, dichtbij Fontein, moest het passanten controleren op smokkelwaar. Fort Bachuri was meer een politiepost en had in tegenstelling tot Fort Kloof geen echte militaire waarde.

Patruli

De grens met Patrick wordt gemarkeerd door een patrouilleweg -patruli- die op diverse plaatsen, maar vooral dicht bij de kust nog duidelijk te zien is door de opgestapelde stenen aan de weerszijden. De patruli is in de 18e eeuw door de toenmalige overheid aangelegd, zodat patrouillerende militairen (ongestoord door omliggende grondbezitters) naar de kust konden rijden. Ook een smalle kuststrook is nog overheidsterrein waardoor ook lokale vissers – via  de patruli –  de kust konden / kunnen bereiken.

Uit Sambumbu: Oude namen in Ascencion

  • Pos di Patu is de eendenput in Ascencion.
  • Seru di Malora 45 m ( Malora=ongeluk), is een heuvel ten westen van Ascencion. Het staat aan de Weg naar Westpunt en werd vroeger bewoond door diverse families. Maar hier woonde ook een dwerg-indiaan die schipbreuk had geleden en zwemmend in de woeste golven Boka Ascencion wist te bereiken.
  • Ten zuid-oosten van Seru Malora liggen Cunucu Largu ( lange plantage) en Seru di Mangasina (heuvel waarop een maisschuur was gebouwd).
  • Duinkerken, in de volksmond Dònkèrki, is een plaats in het westen van Ascencion.
  • Seru Bazján, 61 m, ligt in het noordwesten van Ascencion en is vernoemd naar Baas Jean die daar woonde.
  • Chawán Baka is een plaats in zuiden van Ascencion. Het is de bijnaam van een man en betekent: Jan de koe
  • Busumúru , alias Seru (di) Kunuku (di) Kas, 61m, is de heuvelrug ten oosten van het landhuis. Het is een kustheuvel tussen landhuis Ascencion en de zee. Daar ligt een bekende indianenlocatie en ook vond de Werkgroep Archeologie hier twee fosfaatmijnproefgaten.

Bronnen:

  • Hartog: Geschiedenis in het kort
  • Renkema, Het Curacaosch plantagebedrijf in de negentiende eeuw.
  • Brenneker, Sambumbu diverse edities
  • Werkgroep Archeologie: diverse verslagen over Ascencion

Met dank aan: Frensel Mercelina en François van der Hoeven