Plantersrust

Plantersrust

Gelegen aan het eind van de Roodeweg markeerde Plantersrust – rond 1852 ruim 50 hectaren groot- de rand van de stad. Het werd ook wel Seru di Plantersrust of Seru di Roodeweg genoemd omdat het aan het eind van de Roodeweg lag en aan het begin van de weg naar de buitendistricten met de plantages der Westdivisie.

Het vroegere plantaadje Zjaro, ten zuid-westen van  Plantersrust, hoorde afwisselend wel, zoals in 1853, en soms weer niet bij Plantersrust.

Plantersrust werd bij invallen van de vijand gebruikt als strategische uitvalbasis: Zo trokken zowel de Fransen als de Engelsen vanuit de baaien te  Piscadera en Sint Michiel al plunderend door de omgeving van Seru Pretu naar Plantersrust en het nabijgelegen Habaai. De Engelsen, die op 1 januari 1807 te Piscadera waren geland, vestigden hun hoofdkwartier in het huis van pastoor Pirovano te Zjaro en in het voormalige woonhuis dat eens op Plantersrust stond.  In de Roodeweg werd een kampement opgeslagen om daarna vanuit de nabijgelegen Ser’i Dòmi de stad te beschieten.

Baron van Raders    

Plantersrust werd als plantage afwisselend ook samengetrokken met plantage Welgelegen oftewel Habaai. Zoals bijvoorbeeld in 1828: Plantersrust, Habaai en Rust waren toen samen eigendom van de schatrijke Jeannette van der Meulen die onder andere diverse werven in de haven bezat. Rond 1844 is haar schoonzoon, Reinier Frederik Baron van Raders gouverneur van het eiland. Zijn streven was om Curaçao zoveel mogelijk zelfvoorzienend te maken en namens het gouvernement koopt hij Plantersrust van zijn schoonmoeder om hier een modelplantage neer te zetten.

Militair plantage

Zijn adjudant werd als opzichter aangesteld en de slaaf- gemaakten van het gouvernement, vrije werkkrachten en zelfs soldaten werden ingezet als werkkrachten. Marineofficieren werden naar het buitenland gestuurd om kennis over landbouw en gewassen op te doen. Zo werd op Plantersrust proeven gedaan met gewassen zoals katoen, aloë, tabak, diverse soorten maïs, pinda’s, zonnebloem (als kip- en veevoer) sisal en johnsongras (veevoer). Ook werden Benzaden uitgezaaid in verband met Benolie die in de parfumerie en in fijne werktuigen werd gebruikt. Verder kwamen er coccospalmen en zelfs de kostbare cochenilleteelt waarbij rode kleurstof uit insecten werd gewonnen ten behoeve van de textielindustrie.

Vooral aan aloë werd veel aandacht besteed op Plantersrust: de auteur Jaap van Soest vermeldt dat in 1906 een ervaren Arubaanse planter op Plantersrust demonstreerde hoe men een  aloëveld moest aanleggen en ook bouwde hij lekbakken en een oven. Aloë was toen vooral van belang voor farmaceutische- en cosmetische industrie in de Verenigde Staten. In tijden van sterke stijging in aloëprijzen werden zelfs gevangenen ingezet om nieuw leven te blazen op de toen verwaarloosde aloëvelden te Plantersrust, Zjaro, Cas Chikitu  en Kas Kòrá.

De achtereenvolgende oogsten met diverse gewassen op Plantersrust mislukten echter door ondere andere te weinig regen, rupsenplaag en bezuiniging op werkkrachten.

Volgens van Soest bleek uiteindelijk ook nog dat het terrein op Plantersrust toch niet over de gemiddelde eigenschappen van een Curaçaose plantage beschikte, wat wel een vereiste is voor een proefplantage. De overheidssplantage Plantersrust werd verkocht en in 1907 werd Cas Chikitu nabij Marchena aangekocht als proefplantage.

Militair Ziekenhuis

In 1892 werd voor 34.000 gulden een nieuw militair ziekenhuis gebouwd op Plantersrust, ter vervanging van het oude ziekenhuis dat toen in het huidige gebouw van het Curaçaos Museum was gevestigd. Het nieuwe ziekenhuis werd ingericht met ruime, luchtige zalen en in 1915 kwam er ook nog een nieuwe operatiekamer. In 1923 werd het echter opgeheven en werden militairen vanaf toen ook in het burgerziekenhuis Sint Elisabeth opgenomen.

De architect van het militair hospitaal op Plantersrust is Antoine Martis, één van de eerste lokale en vakkundige architecten die onder andere ook het landhuis van Groot Davelaar heeft ontworpen.

Begin jaren 40 van de vorige eeuw verbouwde de overheid het voormalige militair ziekenhuis te Plantersrust om tot zeven particuliere wooneenheden.

Kas di Awa.

Bij Plantersrust stond ook de eerste water-en electracentrale van Curaçao. Leonard B. Smith, ontwerper van de pontonbrug, kreeg in 1893 concessie voor elektra nadat hij hiervoor proeven had gedaan op Plantersrust, Juicio (Wishi)  en Welgelegen. Omdat het praktisch was om elektra met waterzuivering te combineren, vroeg hij ook concessie aan voor een waterzuiveringsfabriek. Hij haalde zelf de benodigde machines uit de States, kocht de gronden tussen Wishi en Villa Maria bij Plantersrust op en liet 5 diepe putten graven die onder zeeespiegel liggen. Op deze locatie, schuin tegenover Panaderia Isa, tussen weg naar Welgelegen en de Vogezenweg verrees in 1895 de Kas di Awa, met op een heuvel ten westen van Plantersrust een reservoir van 350 kubieke meter, genoeg om in die tijd de gehele stad te voorzien.

Bronnen:

  • Renkema: Het Curaçaos plantagebedrijf in de 19 e eeuw.
  • Soest:Olie als water
  • Brenneker: Sambumbu, diverse edities
  • US consul in the 19th century Curacao, the life and work of Leonard B Smith.

Met dank aan François van der Hoeven, Frensel Mercelina en André Rancuret