Barber

Barber

Barber- vanaf 1827 de tweede Katholieke parochie van Curaçao- kwam pas 80 jaar nadat de eerste kerk, de Santa Ana in Otrobanda werd gebouwd. Barber is hierdoor het oudste buitenparochie van Curaçao. De kerk is aangelegd in het vruchtbare Sint Jozefdal en de huidige pastorie is het voormalig landhuis van Barber.

Rondom 1700 bestonden alleen de plantages Sint Marie en Leliënberg, beiden van de West Indische Compagnie en beheerd door Jean Diederick Ohmheer. Daartussen-in lag niets dan woeste savannegrond waar het vee alle ruimte had. De uitgestrektheid van deze gronden spreekt wel uit het feit dat sindsdien in deze tussenliggende savanne de volgende plantages zijn ontstaan: Barber, Dokterstuin, Pannekoek, Colonia, Fontein, Rif Sint Marie, Porto Marie, San Sebastian en Zevenhuizen (Jan Kock.

De plantagebedrijven op Curaçao kwamen omstreeks 1660 op gang en waren de enige woonkernen buiten de stad. In de buurt hiervan vormden zich woongemeenschappen van zogenaamde vrije lieden, voormalige slaafgemaakten. De plantage Barbe, alias Cabrietenberg, dateert vanaf begin 18e eeuw.

De naam Barber

Barber ligt ten oosten van Leliënberg, ten westen van Patrick en de weg naar Westpunt en ten noorden van Dokterstuin. Het was oorspronkelijk 283 hectare groot en hier werd vezelagaven, indigo en wat katoen verbouwd. Barber heette oorspronkelijk Cabrietenberg. Over de oorsprong van de naam Barber bestaan twee versies:

In doopboeken verschijnt de naam van (één van) de eerste eigenaar(s) van Kabrietenberg, Pedro Barber, een slaveneigenaar. Hij is waarschijnlijk zelf degene die in het doopboek van 1765 Pierre La Barbe wordt genoemd en dan een kind, Pierre Rufo, laat dopen.

Volgens een tweede versie was Kabrietenberg een twistpunt tussen de omringende eigenaren van plantages Leliënberg, Wacao en Patrick omdat het de weidegrond was van de voormalige overheidsplantage Leliënberg. Na de verkoop van Leliënberg lag het braak met ‘menig begerig oog erop gericht’. Een doortastende dame, Barbara Exteen was de heren echter voor: Haar ouders bezaten de nabijgelegen plantage Ascension en toen ze in 1711 met Christiaan Jurriaansz Boom trouwde, namen ze Kabrietenberg in bezit, bouwden een huis en vroegen tegelijkertijd het perceel in eigendomsrecht aan bij de overheid. Er volgden jarenlange touwtrekkerij tussen Barbara en de overheid om de ‘onwettig ingeserkte gronden’ te verlaten en evenveel ruzies met omringende plantage-eigenaren. Barbara kwam tot een akkoord met haar buren en de rust keerde weer. Uit alle stukken blijkt dat zij steeds het initiatief nam, reden waarom de plantage in de volksmond naar haar genoemd is en later definitief werd. Barbara was echter vroeg weduwe, haar man stierf in 1729 en zij verkocht de plantage in 1739 aan Joseph Piñero Sillé, alias Shon Sille.

Katholiek centrum

Joseph Piñero Sillé, afstammeling van een mulat, was van 1827 tot 1832 eigenaar van Barber. De familie woonde op Otrobanda en verbleef af en toe op Barber. Sillé was zeer praktiserend katholiek en wilde voorkomen dat zijn gezin en slaafgemaakten helemaal naar de stad moesten, om naar de kerk te gaan. In in 1827 bood hij pastoor Nieuwindt daarom aan om zijn eigen woonhuis te Barber te gebruiken voor kerkdiensten. Ook slaafgemaakten van andere plantages mochten, indien hun meesters dat toestonden, de mis bijwonen. De opkomst was echter zo groot dat Sillé een andere oplossing moest zoeken. In 1828 leende hij Niewindt –voor 25 jaar- een oude maisschuur op zijn plantage. Deze was gebouwd met modder en maisstengels en Niewindt liet het opmerkelijk verbouwen – met behulp van slaafgemaakten van Barber en omwonende (protestantse!) eigenaren: In lange rijen trokken ze met stenen op het hoofd om de muren op te trekken onder leiding van Adrianus Schoonen, de priester-architect die ook de oorspronkelijk kerk van Pietermaai had ontworpen.

Later kwamen er wel 100 man bijeen voor catechisatie, in de schuur werden vele slaafgemaakten gedoopt en gehuwd en op zondag kwamen maar liefst 500 a 600 van hen bijeen.

Seminarie

In 1840 stichtte Niewindt een seminarie in het landhuis naast de kerk en in 1843 zette hij de tweede drukkerij in de geschiedenis van Curaçao op, dat werd gebruikt voor het drukken van school- en geschiedenisboeken voor de volksscholen en kerken die Niewindt over het eiland bouwde. De drukkerij zal niet al te groot zijn geweest, pastoor Brada schrijft dat Niewindt de drukpers in zijn wagen meenam als hij naar Brionplein ( waar de zetel van het bisdom was gevestigd) reed.

Barber was het katholieke centrum van Curaçao en speelde een belangrijke rol in de verspreiding van de katholieke godsdienst op Bándabou. Niewindt werd zelfs verweten dat hij meer op Barber dan in de stad verbleef. Door zijn activiteiten ontwikkelde Barber zich als hoofdstad van het westelijk deel van het eiland waardoor het duidelijk meer inwoners telt dan andere bario’s op Bándabou.

Tegenwerking

De inspanningen van Niewindt stuiten echter op tegenwerking. Omringende (protestantse) plantagehouders waren in het begin bang dat samenscholing van slaafgemaakten zou leiden tot opstanden zoals in 1752 op Hato en in 1795 op Knip. Ook verbood de gouverneur dat Spaanssprekende paters Niewindt zouden helpen en toen Niewindt uiteindelijk koninklijke toestemming kreeg om op Barber een kapelletje te bouwen werd de vergunning twee jaar lang tegengehouden door de lokale protestantse bestuurders. De huidige kerk van Barber werd in 1872 gebouwd en staat op de plek van het voormalige graanmagazijn. Het eerste kerkje bestaat nog steeds: het zijn nu twee lokalen van een schoolgebouw. En zoals eerder vermeld is de huidige pastorie het voormalige landhuis.

Joseph

Dat de parochiekerk van Barber gewijd werd aan Sint Jozef, heeft waarschijnlijk te maken met de patroonheilige van de eigenaar van de plantage. Temeer omdat dit niet- zoals gebruikelijk- vertaald is naar San Hose zoals de naam in het Spaans of Papiamento zou luiden. Sillé tekende altijd met ‘Joseph’ hoewel zijn naam toch zuiver Spaans was.

De kerk is gevestigd in het hofje Sint Jozefdal , de naam die Niewindt aan Hòfi pastor gaf ter ere van Joseph Piñero Sillé. In de volksmond bleef dat echter Hòfi pastor, dat nu een natuurpark is, eigendom van en beheerd door de milieuorganisatie Amigu di Tera. Het grenst aan Wacao en heeft als middelpunt een 70 meter hoge Kapokboom dat, naar verluidt 800 jaar is en daardoor één van de oudste bomen op Curaçao.

Raboe Joewana

De plantage was vanaf 1832 eigendom van de Rooms Katholieke kerk, per testament aan Niewindt geschonken door Sillé. In 1913 is het door overheid ( met uitzondering van Sint Jozefsdal en Raboe Joewana ( Rab’i Yuana) aangekocht, samen met Leliënberg, Dokterstuin, Pannekoek en een gedeelte van Wacao. Het aldus verkregen stuk grond van 1379 hectaren werd in stukken van 2 a 5 ha verdeeld en verpacht. De overheid probeerde hiermee de kleine landbouw op Bándabou meer leven in te blazen en het patroon om landbouwactiviteiten alleen op Bándariba ta concentreren, te doorbreken.

Rab’i yuana oftewel Raboe Joewana zoals geschreven op de Werbatakaart, is een plek ten noorden van de kerk van Barber, richting Westpunt en betekent leguanenstaart.Het is een lievelingsplek voor leguanen gezien de talloze strepen die ze daar met hun staarten trekken.

Hier stonden enkele jaren geleden tuinbouwkassen als onderdeel van een landbouwproject van wijlen ex minister- president Don Martina.

Opmerkelijke bewoners

De curiosa Ma Jaja Felipa was bijzonder ervaren in het gebruik van kruiden en een van de meest geraadpleegde curiosa op het eiland. Mensen kwamen vanuit Kooral Specht en Jan Tiel om haar te raadplegen. Ze nam nooit geld aan, alleen vruchten en eieren. Ze woonde op Bona Vista of Buena Vista bij Patrick, ten zuidoosten van de kerk van Barberen ten zuidwesten van de voormalige plantage Patrick.Bona Vista wordt in de volksmond ook Seru Sjajo genoemd.

Maria Alejandra Tokaay was de laatste eigenaar van Ser’i Sjajo, maar nabestaanden zochten al 30 jaar uit hoe het precies zat met hun rechten. Zij blijken de rechtmatige eigenaars te zijn maar intussen was er al zoveel illegale bebouwing – ook van eigen familieleden - en om ruzie te voorkomen liet men de zaak maar voor wat het was.

Kaya Tomás Kokoti is vernoemd naar Damasius Hoyer die zonder benen geboren werd en aan zijn rechterhand alleen maar een duim had. (kokoti=kreupel). Hij was volgens Pater Brenneker altijd vrolijk, hield van dansen, was tweemaal getrouwd en had 4 kinderen. Hij was werkzaam bij de watervoorziening en heeft in diverse wijken pijpen aangelegd. Hij maakte schoenen en vlocht manden met twijgen van de kalbasboom. Tomás Kokoti werd 85 jaar.

Shon Fina

Bij het huis van Shon Fina waren er regelmatig feesten met kai orgelmuziek. De dames kwamen in houten bussen vanuit alle uithoeken van Bándabou, vergezeld door hun chaperonnes en met een klein koffertje: om 12 uur ‘savonds verkleedden ze zich en droegen ze allemaal dezelfde kleur. De uitnodiging luidde dan bijvoorbeeld: ‘Bin balia bistí na trupiaal’ dan wist je wel dat je oranje kleding mee moest nemen. De chaperonnes zaten op het terras en hielden via de jaloezieën de dansvloer in de gaten om te zien of een jongeman niet te vaak met hun protegé danste. De jongedame in kwestie werd dan meteen hierop geattendeerd.

Marshe di Barber

Zeer populair, en dan niet alleen voor Bándabou, is de Marshe di Barber, dat eigenlijk uit het slachthuis en de daaraan gekoppelde markt bestaat. Het is in 1968 door de overheid aangelegd naar aanleiding van een wet dat in dat jaar werd geïntroduceerd: in verband met de hygiëne moest slachting van dieren voortaan in een slachthuis gebeuren. Het slachthuis te Parera lag te ver weg voor bandabouse veehouders en men had niet altijd gedegen vervoer. Het slachten op Barber gebeurt traditioneel nog op zondag en de markt is uitgegroeid tot een meetingplace waar naast vlees ook plantjes, huisnijverheid en lekkernijen worden verkocht. En natuurlijk ook lokale gerechten, zoals Kabes ku higra, arepa di Pampuna en sòpi yuana, maar de pan será ku sanger * is nog altijd favoriet.( Kop en lever, pompoenpannekoeken, leguanensoep en broodje bloedworst).

In de bario Barber liggen voorts de volgende locaties:

  • Sabana Chikí ligt in het noorden van Barber en ten noorden van Cunucu Largu;
  • Cunucu Largu is een plaats midden in Barber, ten oosten van Baha Húndu ;
  • Baha Húndu is een locatie in het noordwesten van Barber en betekent steile helling;
  • Morgenster is een plaats ten noordoosten van Barber, ten westen van Seru Machu;
  • Bou (di) Barber is een streek ten westen van Barber, ten zuiden van Leliënberg en betekent: ten westen van Barber;
  • Den Colon is een plaats ten westen van Cunucu Katoen en de Weg naar Westpunt, net voor de kerk van Barber;
  • Asiento en Cuba zijn plaatsen ten zuidwesten van Barber en ten oosten van Seru Maco;
  • Poz di Triton is een put aan de Weg van Soto naar Barber;
  • Cunucu di Katoen is een plaats ten oosten van Barber, ten zuiden van de kerk;
  • Hanchi di Bani ligt in het oosten van Barber;
  • Sabana Secu is een plaats ten westen van de Weg naar Westpunt, ten oosten van Barber en betekent Droge Savaan.

Overige bario’s in de zone

De zone Barber omvat, naast de gelijknamige bario, ook de wijkjes Sumbu, Striebeek, Bona Vista bij Patrick,(Ser’i Sjajo), Caridat, Duinkerken, Bisento, Colonia, Sin pensar bij Pannekoek,Sint Jozefdal en de plantage Dokterstuin. Sint Jozefdal en Bona Vista ( Sjajo) zijn hierboven reeds besproken, Dokterstuin verschijnt op een eigen Pagina.

Caridat is een onbewoond stukje overheidsgrond) en Duinkerken (Dònkèrki) is eigendomsgrond bestaande uit vijf huizen en drie kavels. In tegenstelling tot de vorige twee wijken is de herkomst van de naam bij Striebeek wel bekend: Jozef Striebeek was opzichter op de nabijgelegen plantage Patrick en kreeg het stuk terrein van zijn werkgever. Overdrachtspapieren ontbreken, nazaten kunnen geen aanspraak maken en het terrein werd een dichte mondi. Alle drie wijken zijn voormalige landbouw en veeteelt gebieden.

Colonia,Sin Pensar bij Pannekoek en Sumbu zijn woonwijken.

De naam Colonia is afgeleid van Klein Colonie, een oude naam voor de latere plantage Pannekoek waar Colonia ook deel van uitmaakte.

Sumbu ligt in het vanggebied van regenwater dat van de heuvels van Dokterstuin naar Ascension stroomt. Van oudsher werd hier veel landbouw bedreven en stonden er veel vruchtbomen. Sumbu is lang geleden verkaveld en hier wonen de meeste mensen op grote stukken grond die vroeger allemaal bewerkt werden. Tegenwoordig worden diverse gronden nog aangewend voor de landbouw. De meeste huizen zijn van na de Tweede Wereldoorlog, met een enkel nieuw huis ertussen.

Bicento is een kunuku-kleine plantage- ten oosten van Pannekoek en langs de weg die vanaf de Weg naar Soto naar Ascencion leidt. Op de hoek van deze weg ligt Bistro Laternu.

Bicento is nu een dichtbegroeide mondi met resten van een klein landhuisje, een maisschuur en een nog unieke, gave en vakkundig aangelegde put, dat als een monument mag worden beschouwd. Het staat in het noorden van Bicento en heeft twee mooi afgewerkte pilaren van bijna twee meter hoog. Tussen deze pilaren zat ooit een balk met katrol, emmer en touw om water te putten. “De put is diep, gemetseld van natuursteen, bepleisterd met kalk, zand en geklopte dakpannen. Doorsnee, buiten­maats, 3.20 meter, dikte van de rand 50 cm” aldus Pater Brenneker in Sambumbu. Daarnaast staat ook een drinkbak voor dieren die eens met klinkers was bekleed.

Op de put staan ook een datum en de naam van de toenmalige eigenaar: 17 februari 1739, Gebhard Lubke. Lubke was een vooraanstaand lid van de Lutherse kerk dat eens in Otrobanda stond en ook was hij eens eigenaar van de nabijgelegen plantages Fontein en Giftenberg (deze laaste is nu onderdeel van Cas Abao). De Archeologische Werkgroep vond te Giftenberg ook een put dat op bijna dezelfde wijze door Lubke was gebouwd.

De mangazina van Bicento was oorspronkelijk de grote regenbak van het landhuis. Het werd later tot opslagschuur omgebouwd nadat het landhuis was afgebroken. Van het landhuis resten alleen nog de fundamenten.

Bronnen:

  • Barber, de oudste buitenparochie van Curaçao,1832-1932: P.A.Eeuwens ,O.P.
  • Architectuur en bouwwijze van het Curacaose landhuis: Michael A. Newton
  • Buurtprofiel zone Barber:Dolf Huijgers en Lucky Ezechiëls
  • Herkomst van onze streek- en plantagenamen:M.A.Visman
  • Landhuizen van Curaçao: Jeannette van Ditszhuijzen
  • Sambumbu no 5 en 6: Paul Brenneker.

Indien anders vermeld,zijn de foto’s van voormalige landhuis Cabrietenberg alias Barber van Anita de Moulin, R.I.P.

Met dank aan: Franklyn Hoyer, Ericson Kirindongo, Christel Monsanto, François van der Hoeven en Unidat di Bario.