Bloemhof

Bloemhof

‘Porta di Heru’ was de opvallende naam voor het buitenhuis Bloemhof aan het begin van de Santa Rosaweg in het Ruiterkwartier. Men refereerde hiermee aan de imposante smeedijzeren poort, vroeger de hoofdingang van dit buitenhuis en waarvan nu een replica is te zien is bij de nieuwe ingang. Andere namen voor het buitenverblijf waren Bloemhof(f), Parke Florida of Nooitgedacht.

May Henriquez was een veelzijdige kunstenares en kleindochter van de laatste eigenaresse van Bloemhof, Emma Lopez Penha. May vertelde dat haar grootmoeder in het weekend en tijdens feestdagen met een volgeladen auto met chauffeur vanuit haar huis in de Penstraat naar Bloemhof werd gereden, gevolgd door een shers – paarderijtuig – met personeel en etenswaren.

Speciale attractie voor haar kleinkinderen was de irrigatiebak voor planten dat tot zwembad werd omgetoverd en  nog lang  als zodanig werd gebruikt door bezoekers. Eens in de zoveel maanden werd het schoon geschrobd en van algen ontdaan, waarop het weer gevuld werd met vers water.

Badhuis

Water had Bloemhof in overvloed als waterplantage wat ook nog te zien is aan restanten van het ingenieuze irrigatiesysteem met zes putten, regenbakken, sluizen, waterreservoir en een watertoren. Het meest opvallende is wel het buitenbadhuis met 2 badkuipen waar het regenwater via een aquaduct vanuit een put werd aangevoerd. Het badhuis, de Mikva, is voor vrouwen bedoeld en mag alleen met ‘levend water’ oftewel putwater of  ‘stromend  water’ worden aangevuld. De aanlevering van  water voor de Mikva is ocontinu aangezien het op een rijke waterader ligt dat gevoed wordt door rooien uit de omgeving dat vanuit Santa Rosa naar Joonchi stroomt, de buurman van Bloemhof.

Paso fino

Overige economische activiteiten naast de waterverkoop was de oranjeappel of laraha-teelt. De auteur Elodie Heloise verhaalt in Bloemhof, van buitenverblijf tot cultuurcentrum, dat het plantaadje leverancier was van de likeur-distillerij. Bloemhof had een kleine laraha boomgaard, waarbij de schillen van de vruchten op het toegangspad bij de Porta di Heru te drogen werden gelegd en daarna naar Chobolobo werden vervoerd.

Verder had Bloemhof altijd wel wat kippen, eenden, kalkoenen, schapen, geiten en soms 1 a 2 koeien, waarvan de productie, evenals het verbouwde maïs, voor eigen gebruik was bestemd. Een stel rijpaarden voor recreatieve doeleinden maakten ook deel van het bezit en bij de inventaris werden zelfs zadels vermeld die speciaal voor dames waren ontworpen.

Eén van de zeven slaafgemaakten te Bloemhof was een paardentrainer, de bakeer, die de paarden volgens de paso fino-methode leerde lopen. Het paard leerde hierbij om bij het lopen de rug recht te houden en alleen met zijn poten te bewegen, wat minder schommelingen gaf als hij de shers moest trekken. De getrainde paso fino paarden werden zowel lokaal als in het buitenland verkocht.

Het koetshuis van Bloemhof werd later door May Henriquez als atelier ingericht.

May Henriquez

May reisde veel naar Europa, had de toneelgroep Talia opgericht, schilderde, maakte beeldhouwwerken, deed vertaalwerk en is auteur van gedichten zoals  ‘Laiza porko shushi’ en ‘Ken? Ami bira dokter?’. Als dochter van bankpionier Jojo Correa, was ze als de eerste commissaris van de latere MCB Bank aangesteld.

May veranderde het landhuis in een historisch-cultureel centrum dat ruimte bood voor lezingen, tentoonstellingen, verhalen vertellen en beluisteren, concerten, theateroptredens en cursussen. Na haar overlijden in 1999 is besloten het landhuis en het omringende landgoed permanent als cultureel centrum in te richten.

Kantoor in regenbak

Landhuis Bloemhof is gerenoveerd, waarbij een voormalige regenbak als kantoor is ingericht: de originele koperen kraan is hier nog te zien evenals de overloop gaten. Ook is een mangasina ingericht als archief, bibiotheek en vergaderzaal.

Bloemhof was met 7 hectaren een van de kleinste plantaadjes in het Ruiterkwartier en een typisch voorbeeld van een lusttuin buiten de stad, gericht op het woongenot.

Het oudste verkoopdocument dateert uit 1735 en de laatste uit 1919. Daartussen is het landgoed, waarvan het huis uit de 19 e eeuw dateert, wel 22 keer verkocht. Tot de opeenvolgende eigenaren behoort ook de cornet der ruiters en faktoor van de WIC, Jan Evertsz. Opvallend detail is dat bij Bloemhof een groot deel van de verkoopakten en inventarislijsten intact zijn gebleven, waardoor interessante informatie nog kan worden achterhaald. In inventarislijsten van protestantse Nederlandse planters worden slaafgemaakten pas aan het eind van de inventarislijst genoemd, bij Bloemhof, eigendom van sefardische joden komen slaafgemaakten als eerste voor op inventarislijsten. Ook varieerde de prijs van slaafgemaakten, afhankelijk van hun werkzaamheden op de plantage en of het een kind, man of vrouw betrof. Bij Bloemhof blijkt dat in 1765 de prijs per slaafgemaakte werd gestandaardiseerd, ongeacht geslacht, leeftijd of opgedane expertise.

Kathedraal van doornen

Ter ere van Moeder Aarde is hier sinds 2014 met de bouw van de The Cathedral of Thorns‘ begonnen, een uniek kunstwerk gemaakt van doornen van de ‘Palu di Wabi, de Acacia Tortuosa. Het is volgens ontwerp en onder leiding van de kunstenaar Herman van Bergen en met medewerking van werkloze jongeren vervaardigd. In het ‘kathedraal’ maar ook op het erf van Bloemhof zijn kunstwerken te bewonderen van diverse artiesten zoals bijvoorbeeld de sculpturen van Hortence Brown. Op Bloemhof worden regelmatig rondleidingen verzorgd voor groepen en ook is er ruimte voor feestelijke activiteiten.

Klein Bloemhof

Klein Bloemhof is een buitenhuisje dat ten noorden van Mahaai en ten oosten van Rooi Catootje ligt. Het is gebouwd in neoklassieke stijl uit de tweede helft van de negentiende eeuw met opvallende voorgevel dat op kolommen steunt. Het huis wordt ook Severijn genoemd naar de familie van Abraham Severijn die van 1816 tot 1925 eigenaars waren van het landgoed. De Severijn’s zijn oorspronkelijk van Zweedse afkomst en behoorden eens tot de meest vooraanstaande families op Curaçao.

Een andere bekende bewoner was  W.Renkema, schrijver van het boek Het Curacçaos plantagebedrijf in de 19e eeuw, waarin  het Curaçcaose plantagewezen uitvoerig wordt beschreven. Renkema bewoonde het landhuisje rond 1970.

Met dank aan Ruthson Cecilia en Crisen Scorea