Gasparito

Gasparito

Op de grens tussen Kas Chikitu en Veeris, met direct uitzicht op het winkelcentrum Sambil, ligt een bebouwde heuvel met de opmerkelijke naam ‘Seru Fransés’. Volgens oudere buurt bewoners waren de Fransen hier, toen ze probeerden Curaçao te veroveren. Franse en Engelse veroveraars landen vaak in de vlakbij gelegen baaien van Sint Michiel en Piscadera en trokken later al plunderend naar de stad.

Maar ten noorden van Seru Fransés liggen ook diverse stukken grond en kleine plantages die eens eigendom waren van Franse immigranten. Zo kijkt de heuvel uit op de kleine bario, Mina Scharbaai, zo vernoemd naar een Franse dame die daar een klein plantage met landhuisje bezat. Dit landhuisje is in 2025 helaas afgebroken. Mina Scharbaai grenst in het oosten aan Sans Soucis, een kleine wijk aan de Schottegatweg-noord. Volgens de auteur, pater R.H.  Nooyen verschijnt rond 1744 de naam Didaco Sansouci en in 1783 Nicolas Sansouci als peetvaders in de doopboeken van de Santa Anna kerk. Nooyen redeneert dat één van hen mogelijk eigenaar was van Sans Soucis: ten westen van Sans Soucis (= zorgeloos) ligt namelijk Paradijs, waarvan wel vaststaat dat het eens eigendom was van Thomas Frans Paradis. Tenslotte ligt dan ten oosten van Sans Soucis de voormalige plantage Ma Retraite,( = mijn pensioen)  en eens eigendom van de fransman(!) Gaspar Anthony de Quirigazu, in de wandel liefkozend Gasparito genoemd….

Cattenbergh  

De naam Ma Retraite is niet door Gasparito aan het landgoed gegeven. Toen hij het in 1745 kocht heette het nog Cattenberg(h) of Kattenberg* (in 1827 en ook nog in 1861). In een koopakte uit 1825 komt voor het eerst de naam Ma Retraite voor als alias en bleef het in gebruik naast of ter vervanging van Cattenbergh. De plantage stond ook bekend als Klein Sint Kruis en Koeimans. Maar geen van deze namen houden stand want traditioneel bepaalt de volksmond de uiteindelijke naam van de wijk. En Gasparito is het gebleven.

Wie was Gasparito?

Gaspar Anthony de Quirigazu, (ook als Quirigasoe geschreven) was militair en als commandant gestationeerd bij het fort te Boka Samí. Toen de Fransen in 1713 Curaçao aanvielen moest hij het opnemen tegen zijn eigen landgenoten. Misschien dat hij daardoor zo populair was en Gasparito als nòmber di kariño, koosnaampje kreeg toebedeeld. Maar mogelijk heeft ook de moeilijk uit te spreken achternaam hierbij een rol gespeeld. Gasparito was een welgesteld man want hij werd in datzelfde jaar aangeslagen in de brandschatting voor Frankrijk: Bij aanval van vijanden werd door de bezetters meestal geld en juwelen geëist wilde men niet dat alles plat zou worden gebombardeerd en op last van de overheid moesten de rijkste inwoners – naar verhouding van hun geschatte vermogen- dit bedrag bijeenbrengen.

Gasparito behield altijd de titel capitán, ook toen hij uit militaire dienst stapte en de knoek Cattenbergh kocht, ten westen van het Schottegat. Hij ‘plantte’ daar zoals dat heette, van 1745-1754. Gasparito kocht tussen 1745 en 1747 behalve Cattenbergh ook de tegenover gelegen plantagegronden Roosendal en een stuk van Maria Magdalena, dat ook Sint Magdalena werd genoemd. Beide gronden werden in 1748 weer verkocht, waarschijnlijk omdat zij de aflossing van het grotere Cattenbergh in de weg stonden.

Volgens Nooyen blijkt uit kronieken van de Santa Annakerk, de eerste katholieke kerk op Curaçao- dat Gasparito getrouwd was met Barbara Baptiste, een Française. Hun dochter Joanna Maria werd in 1741 werd gedoopt. Gasparito had ook een zoon, Cornelis Quirigazu die als peetvader verschijnt in bovengenoemde documenten. Op Curaçao woonde in 1744 ook ene Gracia Quirigazu, die ook een dochter had met de naam Joanna Quirigazu en de doopboeken geven aan dat er in 1792 ene Johannes Nicolas de Quirigazu peetvader was bij een doopsel.

In 1783 verschijnt Joanna Maria Quirigazu als eigenaar van slaafgemaakten, dat werd toen als ‘sociale status’ vermeld in documenten. Nooyen concludeert dat de naam Quirigazu nog lang op Curaçao voorkwam maar dan onder de populaire spelling Girigacio.

Het Joode Quartier

Gasparito ligt ten noorden van Marchena, ten zuiden van Roosendaal en ten westen van Sans Soucis en de ‘ gemeene Weg naar Hato’, dat per 1774 veranderde in de ‘gemeene Weg naar de plantagie van de West Indische Compagnie’.

Gasparito – toen nog Cattenberg geheten- is kort na 1654 onstaan, toen een aantal Sefardische joden die vanuit Brazilië waren gevlucht zich vestigden op de rand van de noordwestelijke oever van het Schottegat. Zij kregen de  brakke gronden toegewezen door de West-Indische Compagnie en de omgeving kreeg meteen de naam het Joode Quartier. Zij mochten hier landbouw bedrijven, hadden een eigen gebedshuis, begraafplaats (Beth Haim) en rechtssysteem.

Het Jodenkwartier strekte zich uit van de WIC plantage Rooi Canarie in het oosten tot de plantage Welgelegen (Habaai) in het westen, tegenwoordig bekend als Schottegatweg-West.

Op de kleine plantages in het Jodenkwartier werd onder andere tabak en suiker verbouwd, maar Gasparito,Valentijn, De Hoop, Bleinheim en Heintje Kool stonden vooral bekend als waterleveranciers aan de stad, bezoekende zeilschepen en later ook stoomschepen.

Luizen en Limoenen 

Gasparito leverde niet alleen drinkwater van goede kwaliteit, in 1754 vermelde de inventaris ook 25 tobben van 250 a 300 liter gevuld met limoensap. Ook in 1756 werd nog limoensap geproduceerd. Verder waren er aloë velden aangelegd en werd aan het begin ven 1841 proeven gedaan met de cochenilleteelt. De Cochenille is een schildluissoort dat graag op de nopal-cactus groeit en zich met een pluizig laagje bedekt. Van binnen bevat het echter rood pigment, cochenille of karmijnrood genoemd, een natuurlijke kleurstof dat vroeger in de textielindustrie werd gebruikt en zeer populair was in het modebeeld.

In 1855 en 1865 werden op Gasparito nog Amerikaanse ploegen aangewend voor landbouwdoeleinden

Duur plantaadje

Het landhuis van Gasparito had een kern met een zadelsak en aan beide lange zijden een gelerij. Een een zijde waren twee normale dakkapellen, aan de andere zijde was een grote kamerbrede dakkapel. De gevel was voorzien van lijstwerk en was enigszins boogvormig met een driehoekige top-eindiging.

In tegenstelling tot vele plantages en plantaadjes bleef Gasparito gedurende lange perioden onbezwaard van hypotheken behalve tegen het eind van de 19e eeuw. In latere jaren werd het vooral voor het woongenot aangekocht en de prijs was, naar verhouding met grote plantages in de westdivisie nogal hoog : fls 14.000  voor maar 69 hectare grond, alleen maar omdat het zo dicht bij de stad lag.

Bijzondere eigenaars

Maar de opmerkelijke eigenaars van Gasparito konden dat wel betalen: van 1801 tot 1806 was dat bijvoorbeeld de bekende arts Waters Forbes, die ook diverse andere plantages bezat waaronder ook Ronde Klip;

Sinds 1811 tot 1825 was de scheepskapitein Marten Lourens Ellis, eigenaar van Cattenbergh. In de Engelse tijd trad hij op als als tolk bij het in- en uitzeilen van vaartuigen. Hij was de oudste zoon van Daniel Ellis en telg uit een vooraanstaande plantersfamilie op Curaçao die in het bezit was van diverse grote plantages op vooral Bandabou.

In de 10 jaar dat hij eigenaar is, namelijk van 1825 tot 1835 breidt Abraham de Veer Jr, eens gouverneur ad interim van Curaçao, Gasparito uit met diverse belendende percelen.  In de koopakten verschijnen dan:

A: Ma Retraite

B : Klein Sint Kruys, alias Koeymans (Koeimans) en Cattenbergh;

C: Hermitstel aan de weg naar Hato;

De daaropvolgende eigenaar sinds 1835, H.W. De Quartel breidt Gasparito uit met de gronden van  Maria Magdalena, ten westen van Buena Vista gelegen.

In 1841 is J.B. Gravenhorst, president van de rechtbank, eigenaar en hij is het die op Gasparito nopalerieën liet aanleggen in verband met proeven met de nogal kostbare cochenilleteelt.

In 1853 is Jan Schotborgh Claaszoon eigenaar en wordt Gasparito met de nabijgelegen plantage Roosendaal verenigd. Het  wordt later waarschijnlijk weer afgesplitst want de omtrek van Gasparito is uiteindelijk maar 69 hectare.

Shell

Het landhuis van Gasparito was ten noorden van- en evenals die van – Marchena, op een heuveltje gebouwd. Op bijgaande  foto van Neervoort van de Poll uit 1885 ziet men nog een aloëveld, cactusomheining , een waterput en mahoniebomen van plantage Gasparito met rechts  het in 1955 afgebroken landhuis van Marchena. Het eeuwenoud plantagehuis van Gaspartito , ex Cattenbergh verdween in 1956 door 40 jaar uitbreiding van de Shell installaties. Al in 1924 had de Shell regelmatig kleine percelen van Marchena en Gasparito aangekocht en in 1947 werd ook de rest van Gasparito aan de Shell-terreinen toegevoegd.

Samen met een gedeelte van Marchena , Rozendaal,  Heintje Kool en Villa Real maakt Gasparito deel uit van wat nu The Marchena Yard wordt genoemd: het uiterst zuidwestelijk gelegen, niet bebouwde deel van het raffinaderijgebied dat aan de Nijlweg grenst.

Palu Blanku

Gasparito is als zodanig dus nauwelijks nog een bewoonde bario. Het grootste gedeelte ligt nu op raffinaderijterrein, en hoewel het landhuis evenals dat van Marchena zijn gesloopt, zijn daar nooit olie-installaties of kantoren gebouwd.

Kleine gedeeltes van Gasparito liggen nog buiten het industrieterrein: zo werd het pompstation te Palu Blanku vroeger nog Pòmp di Gasparito genoemd en loopt het laatste deel van de Nijlweg, aansluitend op de rotonde dwars door een vroeger gedeelte van Gasparito.

Vanaf de rotonde van Palu Blanku buigt de Schottegatweg in zuidelijke richting af naar Marchena. De gehele linkerkant hier met diverse kleine winkeltjes, snackbars, een Chinese minimarket en andere bedrijfjes tot aan Staal Antillen, Heru N.V. toe, is nog Gasparito. Staal Antillen staat in Marchena en markeert dus de grens tussen de twee vroegere plantages.  Eén van de commerciële panden tegenover het pompstation heeft als adres: Gasparito, Palu Blanku no.1.

En rijdend vanuit Rio Canario richting Palu Blanku, tref je net vóór de rotonde een strook met huisjes aan de rechterkant van de weg. Oudere bewoners geven aan dat dit gedeelte ook nog Gasparito is. Er was hier vroeger zelfs een autoweg – Kaya Gasparito- met verkeer in beide richtingen. Ook wist men te vertellen dat het hier hevig spookte…

De inktpot

In september 2014 bezoekt de Werkgroep Archeologie het voormalige plantaadje Gasparito op het terrein van de olieraffinaderij. Van het landhuis zelf is niets over, de enige stille getuigen zijn een waterbak en …..een oude inktpot.

*Onbekend is of er daar veel katten rondliepen. Er was ook een Cattenbergh in het Ruiterkwartier ( Zuikertuintje en omgeving) en Seru di Pushi o.a. te Sint Michiel en ten noordwesten van de kerk van Montaña.  En de bario Gato dankt haar naam aan de vele wilde katten die daar rondliepen.

Volgens de auteur M.A. Visman werd in officiële documenten Cattenberg altijd met een ‘C’ geschreven, nooit met een ‘K’, dus misschien refereerde men naar een ‘cat’ dat een geschutstelling is uit vroegere tijden. Maar dan nog is er geen verband te leggen met de naam van plantage Cattenberg, aldus Visman.

Bronnen:

  1. Nooyen: Famianan Franses na kunuku: la Union 23.08.1978

Werkgroep Archeologie: de Marchena Yard deel 1

  1. Felhoen-Kraal: W.I. Gids 37e jaaargang 1956-1957

M.Visman:: Herkomst van onze streek- en plantagenamen

W.E. Renkema;. Het Curaçaose plantagebedrijf in de 19e eeuw

  1. Brenneker: Sambumbu, diverse edities
  2. van Soest: Olie als water

Met dank aan: François van der Hoeven, André Rancuret, de Werkgroep Archeologie, Christel Monsanto en Mongui Maduro Library.