Gato

Gato

Opvallend in Gato zijn de Piedra di Butishi (kruikstenen) oftewel Piedra di Indjan zo genoemd omdat indianen daaronder hun goud zouden hebben begraven. Op Curaçao komen Piedra di Butishi vrijwel alleen voor op Gato en het nabijgelegen Papaya. De grote geelbruine stenen zijn vaak zo rond als een kogel en soms wel een meter in doorsnede, een zeldzaam geologisch verschijnsel. Ouderen vertelden vroeger dat ze uit de grond gegroeid zijn en het leuke is dat dit nog waar is ook: de grote ronde stenen werden door geologische omstandigheden en door hun vorm geleidelijk aan naar boven gedrukt en kwamen zo aan de oppervlakte te liggen.

Verwilderde katten

Gato is een kleine voormalige plantage tussen Souax en Papaya aan de Weg naar Westpunt. De wijk dankt zijn naam aan de vele verwilderde katten die hier eens rondliepen (gato is Spaans voor kat). Seru Gato, dat midden in de wijk staat, heet in de volksmond Se(ru) Shon Sana, naar een vroegere eigenares van Gato. Van Shon Sana’s huisje zijn alleen nog stenen hopen over tussen de overvloedige cactusbegroeiing. Haar graf, dat meer langs de hoofdweg lag, is nu geheel verdwenen.

Eens was grond hier zwaar bewerkt en waren er vele lage stenen dammetjes aangelegd om water langer vast te houden en erosie tegen te gaan. Ze worden faha (riemen) genoemd en werden gebruikt om ‘de knoek vast te binden’: ‘pa faha cunucu’.

Gato wordt in het noorden begrensd door Seru di Gato, een deel van de heuvelrug dat van Souax tot aan Grote Berg loopt.

Vrijgevige dame

De schatrijke weduwe van dominee Rasveld, Sybrechtje van Uytrecht, bezat diverse terreinen en vele huizen in Otrobanda – zoals  die nu bekend  staan als restaurant de Gouverneur, het Gelt Dekker Institute en het Kurá Hulanda Museum. Ook ‘bezat’ zij de plantages Ascencion, San Pedro en Malpais en 70 slaafgemaakten. In haar boek ‘Verhalen uit het verleden’ schrijft Els Langenfeld dat de weduwe geen kinderen had en nogal vrijgevig was: ze deelde haar bezittingen – al dan niet via testament- uit aan familieleden, maar ook aan haar slaafgemaakten: Zo kregen 13 van hen -na haar dood op 9 augustus 1811- de Kurá di Kunsje in de voormalige Klipstraat in Otrobanda, toegewezen, met de daarop gebouwde 9 afdaken.

Grondruil

Langenfeld schrijft dat deze afdaken moesten wijken voor de verbreding van de Klipstraat zodat de kersverse gouverneur Abraham de Rouville met een rijtuig van zijn huis, Huize Belvedere, naar de waterkant en vandaar uit naar Fort Amsterdam kon gaan. Omdat de grond volgens het testament van Sybrechtje niet verkocht mocht worden, werd het geruild met een stuk grond aan de Westwerf. Daarop liet de gouverneur 9 nieuwe afdaken bouwen (nu gelegen in de Ferdinandstraat). Ook kregen deze erfgenamen de kleine plantage Gato toegewezen.

Opzichter van Gato werd Petrus Janzen die, wegens trouwe dienst, al in 1803 zijn vrijheid van de weduwe had gekregen. In totaal bleken er in 1868 18 personen te zijn die als nazaten konden worden aangemerkt en dus erfgenamen waren van Kurá di Kunsje en Gato.

De erfgenamen van Gato

In die tijd werden kleurlingen in documenten aangeduid volgens hun huidskleur: Op Curaçao was een mulat een kind geboren uit een blanke en een zwarte; een mesties geboren uit een mulat en een blanke en met Sambo bedoelde men vroeger een kind dat geboren is uit een zwarte en een mulat, aldus Langenfeld. (In Latijns Amerika is een mesties een kind van een indiaan en een blanke).

En zo bevond zich onder de 13 nieuwe eigenaren van Gato de mulat-jongen Frederik Marthien Pietersz, de vroedvrouw Mariana, de mulatten-meisjes Leentje en Maria Gerarda, de mulattin en wasvrouw Cathrijn met haar mestieze zoon Thomas die schoenmaker was, de negerin Maria Loucia en haar zonen Philipus Sint Jago, Bicento en Francisco. Tenslotte behoorden ook Maria  Catharina Silvianna, alias Swaantje en haar zoon Joseph en de sambo Juan Mingeel alias Minguel Sambo, tot de erfgenamen van Gato.

Voorwaarde van Sybrechtje was wel dat Gato voor altijd in handen van de slaafgemaakten en hun nakomelingen zou blijven en er geen hypotheek mocht worden afgesloten voor het terrein.

Veel was Gato toen niet waard: de grond was onvruchtbaar en er was weinig zoet water. Pas toen Gato interessant werd als woongebied ontstonden er discussies gevolgd door vele rechtszaken over wie de rechtmatige eigenaar was van de grond. Daarbij stonden de eigenaren van het aangrenzende Souax, de familie Ferrero, en de familie Pietersz tegenover elkaar. Nog steeds staan bij Gato waarschuwingsborden als stille getuigen van de eigendomskwestie. Gato is tegenwoordig volgebouwd met diverse (verdiepings)woningen en appartementen.

Bronnen:

  • Langenfeld: Verhalen uit het verleden: de slaven van Gato
  • Brenneker – Sambumbu – diverse edities

Met dank aan: Frensel Mercelina, François van der Hoeven, Andre Rancuret en Mongui Maduro Library.