Jongbloed
De voormalige plantage Jongbloed ligt in de vroegere Oostdivisie, ten zuiden van Brievengat en Bonam en ten noordwesten van Sapaté. Het is één van de oudste bebouwde percelen op Curaçao: het werd al vlak na de verovering van het eiland in 1634 aangelegd. De eerste vermelding van de plantage dateert uit 1681 en het behoorde toen aan de bekende cornet (aanvoerder der ruiters) Jan Pietersz van Oxfort, wiens graf al eeuwen bij zijn vroegere woonhuis, landhuis Bever ligt. Oxfort is de streek waar hij geboren is.
Daarnaast ligt ook het graf van zijn familielid, Thomas Pietersz, in die tijd hoofdopzichter over de WIC-plantagegronden. Hooggeplaatste ambtenaren dus, die beide het vruchtgebruik hadden van de Zuikertuin waar in die tijd vruchten en groenten voor eigen gebruik werden geteeld. Thomas Pietersz bezat al vóór 1700 ook wat ‘de boventuin’ werd genoemd, ter onderscheiding van hun tuintje te Zuikertuin. Deze noordelijker gelegen ‘boventuin’ is het tegenwoordige Jongbloed.
De Boventuin
De auteur Martin A. Visman heeft zich in de geschiedenis van Jongbloed verdiept en schrijft dat Thomas Pietersz en zijn vrouw Catharina Stammers in de Boventuin woonden, en zes slaafgemaakten bezaten. Pietersz had waarschijnlijk toen al privilege voor de aanleg van geiten- en schapenkoralen, aangezien deze in de opeenvolgende verkoopdocumenten worden genoemd. Hun dochter, ook Catharina genaamd trouwde met één van de eerste predikanten van de compagnie, Henricus Beys, en ook dit echtpaar woonde op de Boventuin. Echter voor korte tijd want Buys overleed kort na het huwelijk. In 1717 overlijdt Thomas Pietersz en erft zijn dochter de plantage. Zij blijft daar tot 1723, het jaar waarin haar moeder overlijdt, en ze verkoopt in datzelfde jaar de plantage aan een zekere Jan Jongbloed, een 18de-eeuwse schipper van een Curaçaose bark en getrouwd met Maria Dam. In 1727 koopt hij een aantal slaafgemaakten ter uitbreiding van het zestal dat er al was op de plantage, blijkbaar met de bedoeling intensiever landbouw ta gaan bedrijven. De kleine plantage, hooggelegen in het middengedeelte van het eiland is echter nooit een grote plantage geweest.
Vergenoeging
Zoals nieuwe plantage-eigenaren vaak doen, gaf ook Jongbloed zijn nieuwverworven bezit een nieuwe naam. Het werd Vergenoeging, ook wel Vergenoegen* geschreven in overdrachtsdocumenten en in de volksmond: Ferenú. Jongbloed was van 1723 tot 1746 eigenaar van de later naar hem genoemde plantage. Het echtpaar woont hier ruim 20 jaar als zijn vrouw in 1746 overlijdt. Jongbloed verkoopt dan de plantage aan een andere schipper, Johannes Houtvat (de latere eigenaar van Jan Zoutvat oftewel Jan Sofat), voor 5000 pesos.
Houtvat verkoopt het in 1747 alweer en wel aan Willem Kock, neef van de bekende Jan Kock. Willem verkoopt het in 1749 aan Frederik Evertsz die het in hetzelfde jaar verkoopt aan Jacobus Morel. Jongbloed was aldus een investeringsobject geworden en naast Vergenoegen en Vergenoeging duikt dan ook de naam Jan Jongbloed, (1851) of Jan Jongbloet op als alias in verkoopdocumenten. Het in de volksmond ‘Janbloe’ genoemde landgoed verwisselt gedurende de rest van de 18de en begin 19de e eeuw regelmatig van eigenaar.
Jongbloed in brand
In 1803, tijdens een Engelse inval werd het landhuis van Jongbloed geplunderd en in de as gelegd, evenals dat van Dein en Asiento. Het landhuis, dat op een heuvel aan het eind van huidige Ajaxweg lag, is nooit herbouwd.
In 1804 is de jood Isaac Cardozo eigenaar van Jongbloed en de geschatte waarde van de plantage was toen 8800 pesos en in 1807 had Raquel Ricardo, weduwe van Jacob Henriquez het landgoed in eigendom. Het werd in 1820 geveild op verzoek van de weeskamer omdat men vanwege misoogsten de hypotheek niet kon betalen. In 1822 is Adriaan Vos eigenaar en in 1826 is dat zijn zoon Jan Vos. De financiële situatie van de plantage was nog altijd niet stabiel: in 1828 werd de eigenaar vrijgesteld van betaling van grondbelasting omdat de hypotheekschulden hoger waren dan de taxatiewaarde van de plantage. Dan duikt er een nieuwe eigenaar op die in de plantage meer ziet dan alleen maar een tijdelijke investering.
Cornelis Sprock
Vanaf 1858 blijft Jongbloed permanent in bezit van de familie Sprock(el). De Haagse zakenman Cornelis Colonis Sprock koopt in dat jaar voor 2300 gulden de plantage die sindsdien van vader op zoon overging. Sprock sr. had in 1855 al Cas Cora en Brievengat gekocht en werd met de koop van Jongbloed in 1858 eigenaar van een groot aaneengesloten gebied op Bándariba. Hij was tevens districtsmeester en nogal vooruitstrevend: zo introduceerde hij in 1862 Amerikaanse landbouwploegen op Cas Cora. Sprock stond verder bekend om het gebruik van kruiden voor genezing van dieren.
Francinette
Cornelis sr. kwam in 1844 op Curaçao aan als getrouwd man, maar ging in 1847 samenwonen met één van zijn slaafgemaakte vrouwen, Josephina Victorina Sprothouars, ook bekend als Francinette die hij in 1847 had gekocht.
Hun zeven kinderen kregen na de emancipatie de achternamen Sprothouars, Sprock, of Sprockel. Hun oudste zoon, Cornelis jr., werd 6 jaar vòòr de emancipatie geboren en kreeg als achternaam Sprockel. Hun tweede kind, Horacio, werd ná de emancipatie geboren en kreeg de achternaam van zijn vader, Sprock. Horacio (1866-1949) vertrok naar Venezuela en introduceerde eind 19de eeuw de ka’i orgel (draaiorgel) op Curaçao. Zijn broer Cornelis Polonius, was meer geïnteresseerd in de plantage.
In 1873 verkocht Cornelis sr. Jongbloed aan Francinette onder voorwaarde dat hij de plantage zou kunnen blijven gebruiken. Na het overlijden van Francinette kwam het landgoed in het bezit van haar zoon Cornelis jr. die het landbouwbedrijf van zijn vader voortzette.
De olieraffinaderij kocht rond 1924 de plantages Cas Cora en Brievengat van de familie Sprock in verband met watervoorziening voor haar installaties. Ook Jongbloed werd ten verkoop aangeboden tussen 1945 en 1953 en grote delen van de vruchtbare plantage kwam toen in het bezit van de oliegigant.
Pachi Sprockel
Een zoon van Cornelis Sprock jr., Wiles Oliver Sprockel, een smid, is later eigenaar van de plantage en vader van de later bekende Pachi Sprockel.
Jose Maria Ruperto ‘Pachi’ Sprockel (1931-2003) was de zevende uit een gezin van elf kinderen. Pachi moest als kind samen met zijn broers koeien melken en de vier hofjes onderhouden. En de ironie van het leven wil dat Pachi later bij de Shell kwam te werken.
Op Jongbloed stonden wel vier hofjes: Hòfi Pariba, Hòfi Dilanti, Hòfi di Johan (eens de opzichter, de vitó van de plantage) en Dam. Dam was het grootste hofje en werd vernoemd naar een grote dam die eens helemaal vol stond, en bijna op een meer leek.
Bij het overlijden van zijn vader stond Pachi erop dat hij het enig overgebleven hofje zou erven, dat de industrialisering en verkaveling had overleefd: Liverpool, ook wel Hòfi Liverpool of Hardin Liverpool genoemd en later door Pachi omgedoopt tot Hòfi Pachi Sprockel. Het hofje, in het oosten van Jongbloed gelegen, was een mooie boomgaard met eeuwenoude mispelbomen waarvan een deel in 1997 door een orkaan werd vernield. Ook stonden hier vele kokosbomen en diverse windmolens die verbonden waren met drie grote waterbakken die ook een naam kregen: Kant’i kaminda, Shon Pe en Anita. Op Jongbloed werd naast mais en de gebruikelijke gewassen ook laraha geteeld, waarvan de schillen aan de likeurdistilleerderij werden verkocht en het vruchtvlees als veevoer werd gebruikt. Op Jongbloed liepen er eens heel veel koeien rond en melk werd in grote bussen en later in kannen weggevoerd voor de verkoop. Zo werd er melk aan de zusters te Habaai geleverd en aan klanten in de stad. Ten tijde van Pachi kregen de laatste overgebleven koeien ook namen, namelijk Wilhelmina, Juliana en Bernhard en de stier heette Hendrik. Ook waren er op Jongbloed veel ezels, geiten, schapen, parkieten, papegaaien, pauwen, kippen en schildpadden.
Cultuurtoerisme
Pachi had de ondernemersgeest van zijn voorvader Cornelis sr. geërfd. Iteke Witteveen schrijft in een In memoriam, “dat Pachi de bezieler is van één van Curaçaos historische hofjes maar daarnaast ook dansleraar, mentor en fervent pleitbezorger van cultuurtoerisme. Hij componeerde, maakte choreografieën en hij spoorde jongeren aan de quadrille, wals, mazurka, polka en tumba te leren dansen. Zo klonk er vaak ka’i orgelmuziek of muziek van een Típiko (culturele muziekgroep) in Jongbloed. Ook had Pachi een eigen dansgroep, Orkesta Kultural, die vooral de schoonheid van de quadrille op voortreffelijke wijze wist uit te beelden.”
Natuur en cultuur
“Verder organiseerde Pachi toneel, poëzie en andere culturele voordrachten. Zo vierde de kinderentertainer Tio Ali in 1981 hier zijn debuut met ritmische poëzie. Pachi’s doel was om lokale jonge artiesten voor toeristen te laten optreden zodat de jongeren een extra zakcentje zouden bijverdienen.
In verband hiermee en ook met zijn danslessen bouwde Pachi een dansvloer van 15 bij 15 m, met aan beide zijden een overdekt podium. Deze werd verhuurd ten behoeve van feestpartijen en school- en culturele activiteiten om inkomsten te genereren voor onderhoud van het hofje. Zo wist Pachi zijn passies, cultuur en natuur, met elkaar te combineren,’’ aldus Witteveen.
Ook probeerde hij het verleden te doen herleven door de bouw van een kas di pal’i maishi, (knoekhuisje) met twee slavenhutten, waarvan de muren volgens originele wijze werden vervaardigd, uit gevlochten takken bijeengehouden door modder en koeienpoep.
Achter het knoekhuis stond een grote tamarindeboom, vroeger een centrale locatie waar slaafgemaakten hun bijeenkomsten, dansen en rituelen hielden. Deze werd op de exacte plek geplant door Pachi want dat ”luisterde zeer nauw.” Verder installeerde hij ook een schandpaal, waaraan slaafgemaakten werden vastgebonden voor slaag, een stenen oven, een waterput, muziekinstrumenten en een geitenkoraal, allen uit eigen middelen betaald, zonder enige overheidssteun.
Op het terrein stond toen ook een oude molen, kas di mulina , vlak achter het landhuis, waar maishi chikí, sorghum, werd gemalen. De kas de mulina werd bewoond door de vitó, de opzichter, Dooi, die voor de beesten zorgde.
Rond 2003 wilde Pachi weer een poging wagen cultuurtoerisme naar de hòfi te promoveren, maar hij stierf in dat jaar, geheel onverwacht tijdens een dutje in zijn geliefde hòfi.
Mangasina wordt landhuis
In de loop der tijd is het terrein, vroeger 100 hectare groot, door de vraag naar woonruimte en gedeeltelijke verkaveling , behoorlijk ingekrompen. Het hofje is nu slechts drie hectare groot. Recent is nog een deel van de gronden verkocht aan de supermarktketen Mangusá, die hier een groentetuin heeft aangelegd.
Wat nu bekend staat als ‘landhuis’ Jongbloed is een verbouwde mangasina van het vroegere landhuis. Het oudste deel is gebouwd in de 19de eeuw en bestaat uit het woonhuis met aangebouwde keuken. In 1920 bouwt Cornelis Wiles Oliver nog een vleugel aan en werd het huis Oost Jongbloed genoemd.
Vanaf 1965 wordt het landhuis door een kleinkind van Sprock bewoond die het in 2010, met medewerking van Monumentenzorg, heeft gerestaureerd en het zoveel mogelijk in de originele staat probeert te behouden. Ze vertelt dat op het terrein ook een werkplaats stond, een smidse van haar vader, waarvan het aambeeld in 2016 nog achter het huis stond. Dit woonhuis staat nu in het midden van middenstandswoningen en is gescheiden van de bekende hòfi.
Het staat in het oostelijk gedeelte van de voormalige plantage, dichtbij de Cassandraweg. En nu, na meer dan een eeuw is Jongbloed nog steeds in het bezit van de familie Sprockel.
Centrale ligging
Opvallend op de Werbatakaart uit 1911 is de naam ‘ Vergenoegd’ in de volksmond Ferrenú voor een kleine knoek schuin tegenover Jongbloed, ten westen van de Botica gelegen en onderdeel van Brievengat. (zie kaart Werbata ) Ook Jongbloed heette vroeger Vergenoeging of Vergenoegd toen het in bezit was van Jan Jongbloed.
Zowel Oost Jongbloed als Liverpool zijn eigenlijk aparte knoekjes en liggen beide ten oosten van Jongbloed. San Fuego ligt ten zuidoosten van Jongbloed.
De ‘trankeer’ oftewel tranké- afscheiding – tussen de plantages Jongbloed en Brievengat liep ongeveer evenwijdig aan de huidige Brievengatweg. Het begon bij de rotonde vóór Botica Brievengat, liep net vóór Filomena Bakery (tegenwoordig Panaderia Bon Biní) in noordelijke richting naar landhuis Brievengat.
Jongbloed ligt heel centraal en wordt volgens het buurtprofiel beschouwd als één van de betere buurten van Curaçao. Het wordt door de bewoners ervaren als een ideale woonlocatie, met veel voorzieningen in de directe nabijheid.
· I. Witteveen: Dagblad Amigoe, 17 july 2003, In memoriam Jose- Pachi- Sprockel (1931-2003)
· R.Janknegt: De Hofjes van Curaçao
· M.A, Visman: Herkomst van onze streek- en plantagenamen,
deel 6: plantage Jongbloed;
· J. van Ditzhuijzen: Landhuizen van Curaçao, juwelen uit het verleden;
· P. Brenneker: Sambumbu, diverse edities;
· Renkema W.J.: het Curaçaose plantagebedrijf in de negentiende eeuw.
· Ministerie SOAW, Sociale Ontwikkeling, Arbeid en Welzijn: Buurtprofiel Bonam.Alle foto’s van het landhuis zijn in 2010 gemaakt door Anita de Moulin, R.I.P.Met dank aan: Iteke Witteveen, Juni Hart, Andre Rancuret, Jeroen Heuvel en Mongui Maduro Library.>/div>