Pietermaai

Pietermaai

In de joodse synagoge te Willemstad staat een fraai staaltje van schrijnwerker kunst uit 1700. Het is de ark, een groot kabinet waarin de Torah-rollen worden bewaard. Het zijn perkamentrollen met Hebreeuwse Bijbelteksten, de 5 boeken van Mozes. Ze zijn eeuwen geleden volgens speciale regels met de hand geschreven en spelen een prominente rol tijdens synagogediensten.

Het Torah-kabinet is vervaardigd door de kapiteinszoon Pieter de Mey (1651-1713), naamgever van de eerste buitenwijk van Punda.

Pieter’s vader haalde suiker vanuit Brazilië voor de West Indische Compagnie. Daar ontmoette hij ook zijn vrouw en als Nederland zijn Braziliaanse kolonie verliest, verhuist de familie naar Curaçao. Het is 1654 en Pieter is dan drie jaar oud. Hij wordt later schrijnwerker, trouwt met Ana van Ruyven en ze wonen samen met hun 10 kinderen in ‘het tuintje Zeelucht’ ten oosten van de stadsmuur, tussen de zee, het Waaigat en de buurt Altena. De buurt wordt al snel Pieter de Mey genoemd dat dan verbastert tot Pietermaai.

Ommuurde stad

Het ontstaan van de wijk Pietermaai was een direct gevolg van overbevolking in Punda. Rond de 18 e eeuw was de ommuurde stad volgebouwd, bedompt, benauwd en onhygiënisch en bovendien brak er cholera uit. Een deel van de rijkste bewoners, Nederlandse en joodse handelaren kozen ervoor om buiten de stadspoort –Fo’i Porta- te gaan wonen.

Bij de stadspoort, de Stenenpadpoort genoemd, verliet je de stad en begon de kunuku (het huidige Alameda). Vanaf hier tot aan de Theaterstraat bleef tot de helft van de 19de eeuw een kale vlakte waar niet op gebouwd mocht worden. Het werd als schootsveld vrijgehouden voor de kanonnen op het fort en op de stadsmuren en werd ook gebruikt voor parades en als militair oefenterrein. Aan het eind van deze vlakte stond verderop aan de zeekant een batterij waar, aan het begin van de 19de eeuw, tijdens de Engelse overheersing, een vlees- en vismarkt was aangelegd. Pas hier mochten de eerste woningen buiten Fo’i Porta worden gebouwd.

Fo’i Porta

Dat gebeurde op een smalle kuststrook, waarover het Steene(n) Pad, de latere Pietermaaiweg en nu Kaya Wilson ’Papa’ Godett is aangelegd. Het Steene(n) Pad werd ook Patrouilje-pad genoemd, want het was de kortste weg voor de militairen naar uitposten zoals Fort Beekenburg.

Het werd regelmatig overstroomd tijdens stormen en orkanen zoals in 1681, 1760, 1807 en in 1877 tijdens de orkan grandi, de hevigste ooit, die onze eilanden trof. Deze smalle strook -Pietermaai Smal- vormde het begin van de wijk. Hier werden voor het eerst in 1750 aan beide zijden huizen gebouwd.

Hoewel dit jaar als ontstaan van Pietermaai wordt genoemd, stonden er daarvoor al huizen bij het gebied dat toen nog Altena werd genoemd.

Een eeuw later, in 1858, begon men op het voormalige schootsveld buiten de stadspoort –het huidige Alameda- met de bouw van diverse gebouwen, zoals het gouvernementsgebouw oftewel het Raadhuis dat in 1858-1861 werd uitgevoerd, de vrijmetselaarsloge de Vergenoeging, en de tempel Emanuel van de Nederlandse hervormde Israëlitische gemeente. Naast de Tempel, op de plaats van de vleesmarkt en het abattoir die door de orkaan van 1877 werden vernield, verrees in 1884 de openbare MULO: de oude Hendrikschool, ontworpen door een van de eerste lokale architecten: Antoin Martis.

Kerkhof

Vanaf 1821 moest je ’s avonds tussen 9 en 12 zes stuivers betalen en na 12 uur tot het openen van de poort 12 stuivers ten behoeve van het wachtvolk en de portier.

Fo’i Porta was een adresaanduiding voor bewoners buiten de stadspoort, maar het was ook de naam van de begraafplaats die net buiten de poort lag. Hier werden eerst welgestelde burgers en later ook arme zielen begraven.

Het kerkhof was vaak onderwerp van sociale discussie in verband met grafschendingen en lijken die stiekem over de stadsmuur op het kerkhof werden gegooid. Toen ten gevolge van de orkan grandi van 1877 overal lijken ronddreven werd het kerkhof definitief afgebroken.

Het Waaigat

Jaren later werd een deel van de overige mondi gekapt, onder leiding van gouverneur de Rouville, voor de aanleg van het tegenwoordige Julianaplein. De oorspronkelijke, smalle kuststrook is in de loop der jaren vergroot door demping van het Waaigat. Deze oostelijke uitloper van de Sint Annabaai was oorspronkelijk 7 malen groter en naarmate het Waaigat kleiner werd, groeide Pietermaai steeds verder uit.

Nadat in 1861 de stadsmuren waren afgebroken, werden er ook huizen gebouwd tussen Punda en Pietermaai en groeide de wijk uit tot de eerste belangrijke voorstad van Punda.

Be’i Palu
De huizen ten oosten van de voormalige zandvlakte buiten de stadspoort vormen de derde wijk van het district Pietermaai. Het huidige Julianaplein behoorde ook tot deze derde wijk en lag ook aan het uiteinde van het Waaigat. Het heette toen Pietermaaiplein, later Concordiaplein en uiteindelijk Julianaplein.

In de 19 eeuw is het Concordiaplein nog het oefenterrein van de schutterij, dat eerst alleen uit blanken bestond. Haar taak was het eiland te beschermen en de orde te handhaven, zoals tijdens de opstand van slaafgemaakten in 1750 en 1795. Rond de eeuwwisseling had de schutterij nog alleen maar een ceremoniële functie.

Het noordoostelijk deel van de Julianaplein heette vroeger Be’i palu omdat men hier onder de grote Indjuboom op de tram wachtte die door muilezels en paarden werd getrokken. De tram reed vanaf 1884 vanuit de Breedestraat in Punda, over Pietermaai naar het Concordiaplein (Julianaplein) en verder naar Scharloo. In 1911 rijdt de tram op gasoline en is het enorm populair totdat het in 1920 wordt opgeheven als de eerste fietsen op Curaçao verschijnen.

Bij het Julianaplein, in het gebouw van Botica Juliana, stonden sinds 1884 de Panaderia El Gallo Cojo en de Gran Agencia Funeraria van J.R. Welhous, een opvallende combinatie, zoals nog te zien is in de gevel van het gebouw. Maar volgens Brenneker kwam het wel vaker voor dat grote bakkerijen ten minste ook een dodenwagen verhuurden of zelfs ook een uitvaartonderneming beheerden.

District Pietermaaij
Het Julianaplein –vanaf begin van de Penstraat bij Botica Juliana tot ongeveer het Avila Beach Hotel- stond volgens een kaart van Gerard Verhulst van Keulen uit 1836 nog bekend als het derde district van Pietermaaij. Tot het vierde en laatste district van Pietermaai behoorden de huizen ten noorden van de huidige Oranjestraat. Maar op taxatielijsten voor de grondbelasting van Pietermaai in 1906 komen echter ook nog Goede Hoop en Vianen voor, buitenhuizen die bijna aan het eind van de Penstraat staan. Dat betekent dat het hele gebied tussen Alameda en Steenrijk, inclusief het tegenwoordige Nieuw Nederland, begin twintigste eeuw nog bij Pietermaai hoorde.
Na de orkaan van 1877 bleven op Pietermaai vele ruïnes nog jaren staan maar eind 19 e eeuw zijn daar weer stadshuizen gebouwd. De lege plekken tussen de gebouwen herinneren nog aan de statige huizen die tijdens de orkaan zijn weggevaagd.

Bewoners

In 1818 heeft Pietermaai 2334 inwoners en is de wijk opvallend gemengd qua bewoners waarvan de meeste wel op Curaçao waren geboren. Eerst waren er veel blanke protestanten en joden zoals rijke kooplieden en scheepseigenaren en kapiteins en eigenaars van plantages uit de Oostdivisie, maar ook veel kleurlingen en voormalige slaaf- gemaakten.

Zo bezat de vrije mulattin Cathalina Roenoe hier rond 1800 een ruim erf waar sinds 1884 de Panaderia El Gallo Cojo en de Gran Agencia Funeraria van J.R. Wellhous staan.

Jaren later was een aangrenzend deel van het terrein, waar nu Botica Juliana staat, in handen van de voormalige slaaf gemaakte Simon Martis Jacobus Trouwloon, die schoenmaker was van beroep. Andere vaklieden in Pietermaai waren een bakker, kleermaker, schrijnwerker, een advocaat en tolk/ vertaler, winkeliers en bestuurders en ambtenaren.

Wijkindeling

Pietermaai begon dus bij Punda en bestreek grofweg het hele gebied tot het huidige Marie Pompoen en Steenrijk. Het werd in het noorden begrensd door het Waaigat, Scharloo en Berg Altena (alias Seru di Pietermaai) en aan de zuidkant door de zee. Het werd in 1817 volgens de nieuwe wijkindeling in 4 wijken verdeeld, elk met een eigen wijkmeester. Er waren geen straatnamen, huizen werden van de ene wijk op de andere doorgenummerd.

Teatro Naar

In de 18de en 19de eeuw stond Fo’i Porta bekend als populaire uitgaansgelegenheid met fabriekjes, winkeltjes, bars, gezelligheidsclubs, restaurants en diverse theaters.

Het bekendste theater was wel dat van Jacob Josuah Naar, een toneelliefhebber die een amateurgezelschap oprichtte en op het erf van particulieren voorstellingen hield van Frans- en Spaanstalige stukken. Ook in de zaal van zijn eigen huis op Pietermaai vonden deze voorstellingen plaats tot hij in 1871 het eerste stenen toneelgebouw op Curaçaos opent. Theater Naar werd het theater van Curaçao waar buitenlandse artiesten optraden en concerten werden gehouden. Het eerste theater werd door de orkan grandi verwoest maar weer herbouwd. Jaren later verschijnt het modernere Roxy Theater en valt het doek definitief voor Teatro Naar.

Kurá di Sneif

Een ander bekend lid van de familie is Jacobus Naar, oprichter van een snuif(tabak)fabriek in 1812. En wel vanwege zijn Shon Cobussnuif die van zeer hoogwaardige kwaliteit bleek te zijn. Naar is eigenaar van één van de acht snuiffabrieken die vanaf 1783 buiten de stadspoort verschijnen. Bij het voormalige Roxy lag de ‘Kurá di sneif, waar snuif werd vervaardigd van verbrande Palu di Kaoba, vermengd met een poeder. Snuiven met prikkelende fijngemalen tabak was in die tijd trendy en werd door rijke bewoners aan elkaar aangeboden uit mooie zilveren, gouden of met parels versierde snuifdoosjes. De snuifindustrie was lucratief, er werd ook snuif geëxporteerd en fabrieken gingen generaties lang over van vader op zoon. Maar begin 20 e eeuw raakte het snuiven uit de mode en sloten de fabrieken hun deuren.

De hoedenvlechterij

Een andere economische bedrijvigheid die ook op Pietermaai haar oorsprong vond, is de strohoedenvlechterij Arbeid Adelt. De drijvende motor was H. J. Cohen Henriquez, lid van de Kamer van Koophandel en postdirecteur. Bijgestaan door zijn naaste medewerkster Isabel Crefte leidde hij persoonlijk diverse cursussen, hield lezingen buiten de stad en op Aruba en Bonaire. Hij reisde naar het buitenland op zoek naar kwalitatief hogere grondstoffen, leverde deze tegen lage prijzen aan cursisten, zorgde voor de verkoop in het buitenland en experimenteerde met nieuwe technieken.

Vanuit zijn huis aan de vroegere Pietermaaiweg 8 werd gedurende 35 jaar de hoedenvlechterij intensief gepromoot en genoot Curaçao internationale faam op dit gebied. Zo werden er in 1904 560.000 hoeden geëxporteerd, goed voor 40% van de totale lokale export. In 1943 werd de vlechterij te Pietermaai gesloten en naar Santa Rosa overgebracht maar door veranderingen in het modebeeld, verminderde interesse voor cursisten en beter betaalde banen op Curaçao, stierf de industrie een langzame dood. Het huis Pietermaaiweg 8 staat er nog, pal tegenover het Toeristenbureau. Op de gevel is nog een gedenkplaat van de hoedenvlechtersschool te zien.

De Curaçaosche Courant

Pietermaai was ook de bakermat van het allereerste en enige nieuwsblad op het eiland. William Lee (1786-1823) vluchtte tijdens de onafhankelijkheidsoorlog in Venezuela naar Curaçao met, naar verluidt, ‘zijn drukpers onder de arm’. Hij vestigt zich in de Theaterstraat als eerste Curaçaose journalist, redacteur, vormgever en drukker en van zijn hand verscheen op 11 december 1812 de eerste krant op het eiland: The Curaçao Gazette and Commercial Advertiser, voorloper van de Curaçaosche Courant. Als Lee in 1816 benoemd wordt tot officiële drukker van het gouvernement verandert de wekelijkse krant in De Curaçaosche Courant. Nog tot het eind van de jaren negentig van de vorige eeuw werden officiële mededelingen in deze krant gepubliceerd. De drukkerij verhuisde in 2005 vanuit de Theaterstraat naar Saliña.

Lees ook Pietermaai 2