Ruiterkwartier

Ruiterkwartier

Het vroegere Ruyterquartier was rond 1900 één van de meest  waterrijke en dus ook één van de mooiste gebieden van Curaçao, met vele hofjes, weelderige fruitbomen en diverse oranjerieën.

Dat verklaart ook de concentratie van kleine plantaadjes – eigenlijk meer buitenhuizen, of zogenaamde ‘lusttuinen‘ in het gebied. Deze plantaadjes zoals Bloempot (1,5 ha), Joontje ( 2,25 ha) , Pos Kabai (8 ha) en Rooi Catootje (31 ha) kunnen qua oppervlakte niet tippen aan de ‘echte‘ plantages in de buitendistricten zoals Sint Joris (454 ha) Ascencion (470 ha) en Dokterstuin (526 ha).

Op een kaart uit 1715 werd het toenmalige Ruyterquartier aangegeven als het gebied dat Koningsplein, Suykertuin, (Pos Cabai en Zuikertuintje) Buena vista, (Bever) Rust en Vrede, ( Rooi Catochi) Vreeland, ( Gaito) Rust en Burgh (Groot Kwartier ) omvat.

Maar uit verkoopakten blijkt dat ook andere, soms verder afgelegen plantaadjes zoals Joonchi, Klein Kwartier, Rust (aan de Santa Rosaweg), (Klein) Bloemhof, Bloempot, Francia, Groot Davelaar, Cerito, Chobolobo, Zeelandia en zelfs Salinja Abou nog tot het Ruiterkwartier werden gerekend.

Wisselende eigenaars

In de 19 eeuw waren de meeste van deze plantaadjes niet meer rendabel als agrarisch bedrijf en veranderen ze in buitenverblijven voor welgestelde kooplieden uit de stad die niet van de inkomsten van hun plantaadjes in het kwartier afhankelijk waren. Het buitenhuis was een statussymbool en werd als een investering beschouwd: zat de eigenaar verlegen om cashflow door kaping van schepen door piraten, schipbreuk misoogsten of veesterfte op zijn/haar andere plantages of tekort aan voedsel voor tot slaaf gemaakten of oorlogsomstandigheden, dan werd het buitenhuis verkocht. Na 1890 werden de huizen in het kwartier veelvuldig door joodse families gekocht, die daarvòòr vooral in Scharloo en Pietermaai woonden.

Santa Anna  

De geschiedenis van het Ruiterkwartier begint in 1634.Onder leiding van van Johannes van Walbeeck en Pierre Le Grand varen op 29 juli de Hollanders het Sint Annabaai, het tegenwoordige Schottegat, binnen met 9 zeilschepen, 225 soldaten van de West Indische Compagnie ( de WIC) en 400 matrozen. Ze ankeren in het oosten van het Schottegat, onbewust dichtbij enkele waterputten en een opvallende landmark voor die tijd, dat als Sitio de la Higuera oftewel ‘de Plek bij de Vijgeboom’ werd aangeduid. Zeer waarschijnlijk werd hiermee het latere Pos Cabai, nabij de schouwburg Centro Pro Arte bedoeld.

Met meegebracht materiaal zoals dennehout wordt hier een kamp opgezet van een kleine 1800 vierkante meter, met daarin barakken voor 200 manschappen, munitie opslag, een bakkerij en een smidse en met boven de poort een bevelhebberswoning. Verder werd rondom het kamp een gracht gegraven.

Lopez de Morla

Op 31 juli marcheren de troepen naar het door Spanjaarden gestichte dorpje Pueblo di Santa Anna waar de indianen waren geconcentreerd. Hier stonden eerst bijna 100 huisjes van hout, maïsstengels en leem, een kerkje en diverse waterputten. Maar bij het naderen van de vijand waren de bewoners gevlucht nadat ze in opdracht van de Spaanse ‘gouverneur’, Don Alonso Lopez de Morla het dorpje hadden verbrand, de oogst verwoest en de waterputten hadden vergiftigd.

Het dorpje dat dat van 1502 tot 1634 bestond moet ergens in de omgeving van Biesheuvel/ Matancia hebben gelegen. Van Walbeeck trof later zo’n 400 indianen en 20 Spanjaarden aan die 3 musketten hadden en wat kruit, dus van een Hollandse ‘verovering’ van Curaçao in 1634 was eigenlijk geen sprake. Er was alleen melding van een Nederlandse soldaat die door pijlen van de indianen werd gedood …

Wilschotborg

De Spanjaarden trokken verder naar het westen waar er waterbronnen waren, maar omdat de Hollanders niet bekend waren met het terrein, duurde het drie weken voordat de Spanjaarden zich overgaven. Dit gebeurde op 21 augustus 1634 op de plaats dat toen al San Juan heette.

De Spanjaarden moesten samen met de meerderheid der indianen die de Hollanders niet vertrouwden het eiland verlaten. Alleen een 20-tal indianen mochten blijven als personeel voor de nieuwe veroveraars van Curaçao.

In sept 1635 vertrekt bevelhebber Le Grand naar Holland, zijn vervanger wordt David Wil(t)schut. De meeste soldaten waren intussen bij het Fort op de Punt (Punda) aan het werk en het kamp bij de vijgeboom was te groot om met zo weinig manschappen te verdedigen. In overleg met de gouverneur bouwt hij een fort op de berg naast het oude kwartier: de heuvel waar nu het landhuisje Bever staat. Het nieuwe fortje is van het materiaal van de vorige kamp opgezet, wordt in 1635 afgerond krijgt de naam Wiltschutborg. De indianen die nog op het eiland waren moesten bij het nieuwe fort komen wonen waar men beter toezicht op hen had vooral in verband met spionage ten behoeve van de Spanjaarden die nog altijd op de loer lagen. De indianen woonden in huisjes bij het nieuwe fort en verzorgden de paarden van het garnizoen.

Jan Pietersz van Oxfort 

Het Ruiterkwartier dankt zijn naam aan het feit dat in dit militair gebied de ruiterij (cavalerie) was gevestigd.

Het gebied werd uitsluitend bewoond door ruiters, aangevoerd door cornet Pietersz die de ruiterij had op gericht.

Jan Pietersz van Oxfort diende eerst als militair in Brazilië en werd na verlies van deze kolonie op Curaçao gestationeerd. Hij woonde als aanvoerder van de ruiterij in 1654 in een houten landhuis dat tot 1791 nog eigendom was van de WIC. Het diende als ruiterpost en stond op de hoek van de weg naar de Indiaansche Ranche (Rancho) en de weg naar plantage Koningsplein. Dit huis werd tijdens de orkaan in 1691 geheel verwoest, maar is daarna weer gerestaureerd.

Pietersz kreeg voor eigen gebruik een hofje toegewezen dat de Cornetstuin, Corporaalstuin oftewel Hofi di Cornèt heette, in een deel van het nabijgelegen Zuikertuintje.

De ruiterspost was de oorsprong van het Ruiterkwartier, een naam dat in de 19e eeuw als een district werd gebruikt voor de oostzijde van het Schottegat en later ook voor het gehele aangrenzende gebied.

Het voormalige Wiltschutborg maakte later plaats voor het huidige landhuis Bever. Ten westen van het huis liggen hier de drie grafzerken van Jan Pietersz van Oxfort, zijn vrouw Johanna Mattiae, respectievelijk overleden in 1684 en 1698.  En die van hun zoon Thomas alias Thijmen Pietersz, die ook cornet was en in 1697 is overleden.

De toevoeging ‘van Oxfort’ verwijst naar Pietersz’   geboorteplaats, Oxfort in Nederland. Voorwaarde bij verkoop van het terrein was altijd dat, ten behoeve van families van de overledenen, de graven niet mochten worden afgebroken.

De familie Evertsz

Na de Pietersz’ en wordt het huis vooral – uit hoofde van hun functie -bewoond door generaties van de familie Evertsz. Van oorsprong een Duitse ruiter familie, waarvan de eerste leden  cornetten en aanvoerders van de cavalerie – troepen waren. Ook waren zij eigenaar van diverse plantaadjes in het Ruiterkwartier zoals Bloemhof, Pos Cabai, Bever, Saliña Abou, Chobolobo en Koningsplein. Zo is Jan Evertsz in 1763 eigenaar van Koningsplein en volgt hij zijn vader op als korporaal van de ruiterij. Naast de leiding van de ruiterij hielden zij ook toezicht op de plantages van de WIC, ook nadat deze verkocht waren aan particulieren en bemiddelden zij bij de vaak voorkomende ‘tranqueer-kwesties,’ oftewel ‘landje-pik praktijken die op ruzie uitlopen’, tussen plantage-eigenaars.

De Jack Evertszberg.

Bij het verhaal van deze ruitersfamilie hoort ook de Jack Evertszberg, oftewel Sé Djakebu . Het is de laatste en de laagste der drie gebroeders (115 m) en ligt tussen Blauwbaai en de Piscaderabaai in, ten westen van het binnenwater van Piscadera. Het staat op de voormalige plantage Jack Evertsz (1899), alias Ravenslot, Donkerenberg (1870) of Blaauw Blaauw dat vroeger aan Klein Piscadera werd toegevoegd. Het had een klein landhuisje dat ten noorden van Jack Evertszberg, dichtbij de voet stond en waarvan de fundamenten nog te zien zijn.

Door de samentrekking werd ook Klein Piscadera vroeger nog wel Jack Ever, Jakever of Djakebu genoemd naast de alias Piscadera Chikí, Weltevreden of Tropenweelde.

Seinpost

Opvallend detail in verband met dit heuveltje is dat hier een militaire seinpost is gebouwd vernoemd naar een lid van de familie Evertsz.

Pater Brenneker schrijft dat Ceru Djakebu de verbastering is van de eerste eigenaar van de plantage, Jack Evertsz, oftewel Jacob Evertsz. Deze- inmiddels beschermd monument – dateert uit de 18e eeuw en werd tijdens de tweede wereldoorlog weer in gebruik genomen.

De Evertsz’en waren volgens de auteur Pater Nooyen ook planters en zes van hen zouden ook in het Ruiterkwartier, op onbekende locaties zijn begraven.

Bever   

De kleine plantage, waarop een grote put stond, werd in

1818 blijkt ook wel Corporaal genoemd. Het wordt later gekocht door de militaire arts Daniel Beevers samen met de nabijgelegen percelen Meerwijk of Meurwijk, Vreugdendal en Pos Cabaai zodat Bever rond 1815 veel groter was dan het huidige landgoed. (vanaf 1920, slechts 1,5 hectare)

Hij bouwde hier het huis dat hij Schoongezicht alias Buena Vista noemde. Vanuit het landhuis had je toen inderdaad schitterend uitzicht over het gebied dat nu helemaal is volgebouwd, maar de naam Bever was vanaf toen voor altijd aan het landhuisje verbonden. Beevers woont hier, van 1828 tot 1840 en krijgt vergunning om op zijn inmiddels tot plantage omgedoopte stuk grond, 70 schapen te houden.

Bever werd in 1867 gerestaureerd en er kwamen fruitbomen en een put met schoon drinkwater. Het werd in 2016 partieel en rond 2025 weer geheel gerestaureerd.

  • Brenneker, P. Sambumbu: Volkskunde van Curaçao, Aruba en Bonaire, diverse edities;
  • Huijgers,D en Ezechiëls, L: Landhuizen van Curacao en Bonaire;
  • Ozinga, M.D. Monumenten van Curaçao in woord en beeld
  • Renkema W:. Het Curaçaose plantagebedrijf in de negentiende eeuw;

Met dank aan Frensel Mercelina, Maarten van de Laar, François van der Hoeven.