Brievengat en omgeving (deel 1)

Brievengat en omgeving (deel 1)

De zone Brievengat omvat de bario’s Brievengat en Schelpwijk en de gebieden Francisco en Industriepark Brievengat.

Brievengat, eens een belangrijke indianenwoonplaats, was ooit ook één van de belangrijkste plantages in de voormalige Oostdivisie. Het stond daarna jaren bekend als de grootste volkswoningenbuurt op Curaçao, had als eerste wijk een buurtcentrum en heeft als enige een kerk dat in theaterstijl is opgezet. Het is één van de weinige locaties waar je aan de ruwe noordkust toch kunt zwemmen. En verder staat hier het grootste sportcomplex op Curaçao en te Brievengat wordt elk jaar weer, de Tumbakoning(in) gekroond.

Caiquetios

De voormalige plantage is een vruchtbaar gebied en ligt ten noordoosten van Groot Kwartier en ten westen van Ronde Klip. De westelijke grens met Groot Kwartier is de Comanchestraat, de grens met Ronde Klip in het oosten ligt bij Playa Kanoa. Brievengat werd in het verleden door indianen bewoond. Nog voordat de blanken en slaafgemaakten op Brievengat aankwamen stond de Fort’i Indjan (Indiaanse fort) al op het hoogste punt van de bergrug, ten noorden van het landhuis. Het was een uitkijkpost ter bescherming van de omgeving tegen piraten die de omgeving onveilig maakten. Nog lang lagen hier resten van dit fortje, waarvan de locatie nog steeds die naam draagt. Een plek op de heuvelrug, ten noorden van het landhuis, heet Peiladó, wat uitkijk betekent. Behalve Fort’i Indjan, verwijzen namen als Ro’i Indjan, Pos di Indjan, Tanki di Rancho, Santana di Indjan en Schelpwijk nog naar deze eerste bewoners.

De Caiquetios behoorden tot de taalgroep van de Arowakken en kwamen vanuit Venezuela hiernaartoe. Ze woonden tussen 1700 en 1800 vooral in het westen van Brievengat, op lichte verhogingen van het terrein dat Poster werd genoemd. Dat is waar nu de bakkerij staat in het tegenwoordige Rancho. In Rancho wonen nu nog velen met duidelijke indiaanse trekken en die trots zijn op hun afkomst.

Herkomst naam Brievengat

Er is blijkbaar geen officiële verklaring voor de naam Brievengat. In 1708 wordt de naam voor het eerst genoemd in een testament van Jacob Beck (gouverneur van Curaçao, 1704-1708). De exacte inhoud van het testament is onbekend, wel heeft hij het over “Brievengat aan de noordkant”. Mogelijk was er een verband tussen Brievengat en de belendende Plantage Noordkant van de West Indische Compagnie (WIC). Verder wordt verteld dat de piraten rond de 17e eeuw zeer actief waren in de Curaçaose wateren. Ze kwamen aan land bij Playa Kanoa aan de ruige noordkust- de rustige zuidkust was immers goed bewaakt. Vandaaruit begaven ze zich naar een grote Kibra Hacha boom in de omgeving van het huidige sportcomplex, het SDK. In een holte van die boom lagen namelijk brieven die door hun spionnen werden ‘gepost’. Daarin stond de vertrekdatum en tijd van bepaalde koopvaardijschepen uit de haven, waardoor de kapers hun aanval konden voorbereiden. De omgeving werd toen Dievengat genoemd. Een latere eigenaar zou dit geen passende naam vinden voor zijn landgoed en veranderde het in Brievengat. De betreffende boom met ‘het brievengat’ is in de jaren 70 omgekapt bij de aanleg van het SDK. Niet bekend is of dit verhaal op waarheid berust.

Het landgoed heette in 1860 nog ’t Brievengat en in de volksmond Briefhat, Briehát of Briá. Ook de knoek, ten oosten van Antriol op Bonaire, heet Brievengat oftewel Brihat.

De shon van Brievengat

Door de aankomst van Europeanen (Spanjaarden, Nederlanders, Fransen) op Curaçao werd steeds meer grond privé-eigendom en wel in de vorm van plantages. Zo ook Plantage Brievengat. Na 1708 blijft het stil rondom de plantage tot 1747, als de joodse Samuel de Casseres eigenaar wordt. In 1760 opgevolgd door Daniël Ellis die vermoedelijk het oorspronkelijke landhuis van Brievengat heeft gebouwd, dichtbij de grens met plantage Noordkant en vlakbij Tanki Leimu. Die locatie, waar een zeer oude vloer werd gevonden, wordt Kas Kibrá genoemd.

In Franse en Duitse handen

Ellis overleed in 1784 en daarna bleef het weer stil rond de plantage. Tot 1800, als de Fransen tijdens de Engelse overheersing, van Curaçao (1800-1803) het eiland proberen te veroveren en landhuis Brievengat voor enkele dagen bezetten.

Na 1800 wordt Brievengat eigendom van Johan Heinrich Gravenhorst, een Duitse militair. Hij trouwt in 1795 op Curaçao met Anna Catharina Berch. Na zijn overlijden in 1814 bleef zij op Brievengat wonen tot haar dood in 1842. Zij werd begraven op het familiekerkhof ten zuidwesten van het landhuis.

De familie Berch domineerde het gehele gebied: een zus en buurvrouw van Anna Catharina, Geertruida Berch, was getrouwd met Alexander Evertsz, eigenaar van plantage Noordkant, dat ten westen van Brievengat ligt. Ten oosten van Brievengat ligt plantage Ronde Klip, sinds 1807 eigendom van de Amerikaanse dokter Waters Forbes die getrouwd was met een andere zus, Sara Elisabeth Berch. Tenslotte was ook de nabijgelegen Plantage Jongbloed in handen van familie: In 1821 was Jongbloed van Adriaan Vos en zijn moeder was Gerbech Berch, een tante van Anna Catharina Gravenhorst- Berch.

Plantage de Hoop

Na het overlijden van Anna Catharina Gravenhorst-Berch werd Plantage Brievengat openbaar verkocht aan haar zoon Jacob Bennebroek Gravenhorst. Hij noemde zijn nieuw bezit De Hoop en breide het uit met Rancho, Fransisco en Frederikslust. Met Rancho wordt Rancho di Indjan bedoeld, het tegenwoordige Schelpwijk, dichtbij wat we nu als Rancho kennen. Ook Frederickslust, alias Rancho Abou was onderdeel van Rancho di Indjan en is tegenwoordig onderdeel van Schelpwijk.

Francisco is een knoek ten oosten van landhuis Brievengat, grenzend aan Ronde Klip.

Cornelis Sprock Jansz

In 1847 is de plantage sterk verwaarloosd en komt het via onderhandse verkoop weer in handen van een militair: Cornelis Sprock Jansz. Sprock was ook zakenman en arriveert op Curaçao in 1844 samen met zijn vrouw en tegelijk met Niewindt die terugkeert naar Curaçao na zijn recente inwijding als monseigneur. Sprock was bij aankomst al een rijk man en kocht eerst de plantage Cas Cora en later ook Jongbloed en Brievengat. Binnen korte tijd wist hij samen met zijn zoon en met eigen kapitaal de plantage om te toveren tot een rendabel bedrijf. Er kwamen nieuwe gebouwen, oudere werden hersteld, verwaarloosde terreinen weer in cultuur gebracht, er liepen weer geiten, schapen en hoornvee rond en ook de inventaris werd uitgebreid. De waarde van Brievengat steeg in vier jaar tijd van fls 8000,- naar fls 20.000,- en zo werd Brievengat één van de grootste en voornaamste plantages op het eiland.

Sprock en Sprockel

Sprock was tevens districtmeester van de Oost-divisie en één van de weinige planters die zich waagden aan de aanleg van kostbare cochenille teelt: dit is een cactus dat gekweekt werd als huisvesting voor een schildluis die rode kleurstof opleverde voor de textielindustrie.

Door de vruchtbare grond bij Brievengat kon men soms wel driemaal per jaar voornamelijk maïs en aloë oogsten. Vooral tussen 1870-1900 werd Brievengat beschouwd als aloëplantage en rond 1900 werd alleen op Brievengat, van Engelen en Plantersrust nog aloë verbouwd.

In de hoogtijdagen van de plantersonderneming waren er 58 slaafgemaakten werkzaam, afkomstig uit onder andere Congo, Luango en andere Afrikaanse landen en bij de emancipatie in 1863 waren er alleen nog 14 werkkrachten over.

Van Sprock was bekend dat hij kinderen had verwekt bij twee slaafgemaakte vrouwen: een dochter bij Jenny en diverse kinderen bij Shi Francinette waaronder Cornelius Polinius Sprockel (1857- 1919) en Horacio Sprock (1866-1949). ( zie Page Jongbloed ) .

Orkaan

De grote orkaan van 23 september 1877 maakte een einde aan de florissante plantersonderneming: Een groot gedeelte van het landhuis werd vernield en ongeveer 75% van de veestapel ging verloren. Het werd nooit meer zoals het was.

Sprock verkocht Brievengat uiteindelijk aan familie Noël. Eén van de laatste bewoners was Ma Chichi , beter bekend als Chichi Baka omdat ze lange tijd de koeien van Brievengat had verzorgd. Ze werd 105 jaar en in het zuidwesten van Brievengat is er nog steeds een locatie dat Chichi heet.

Het landhuis

Het plantagehuis van Brievengat is waarschijnlijk midden 18e eeuw gebouwd en één van de grootste landhuizen van dit type op Curaçao. Het heeft een ruime galerij over de gehele voorkant, een daarvoor een hoog en ruim terras met een wijd uitlopende trap en met twee vierkante torens op de hoeken van het tarras. Oorspronkelijk waarschijnlijk wacht -en uitkijktorens, later als strafruimte voor slaafgemaakten en geheime ontmoetingsplaats voor buitenechtelijke escapades, in de volksmond om die reden ook ‘Koei’ of ‘ Kas di palomba’ geheten. Ook staan bij het landhuis nog diverse bijgebouwen.

‘Polkadots’

De keuken en de het bediendevertrek ernaast zijn van recentere datum. De roodgeverfde keuken is zoals gebruikelijk in vroegere tijden voorzien van witte polkadot-stippen voor meer licht door weerkaatsing van de olielamp. Ook zouden de polkadots een duizelingwekkend effect hebben op insecten en boze geesten uit het huis weren. Vooral op Brievengat waren er altijd al vele geluiden van geesten en volop dwaallichten.

Ook aan de achterkant een galerij met open arcades met aan de noordzijde een grote regenbak en aan de oostkant dienstwoningen en magazijnen. Ten noorden van het landhuis lag het dorpje met hutjes van slaafgemaakten en ten westen van het landhuis het slavenkerkhof. Hier is niets meer van over maar oudere mensen konden zich nog graven herinneren.

Het voormalig hofje van het landhuis ligt voorbij het crematorium en tegenover de ingang van industrieterrein Brievengat. Hier staat tegenwoordig een wasserij en een groot Manzaliñabos. Door dit hofje loopt een rooi naar de inham Santu Pretu aan de noordkust.

Ruilobject

Brievengat, toen 503 hectaren groot, werd in 1924 voor een symbolisch bedrag door de Shell aangekocht als waterplantage. Men had water nodig voor de raffinaderij, maar Brievengat leverde niet veel meer op, evenmin als Cas Cora dat ook voor dit doel was aangekocht. Toch werden ze door de Shell niet verkocht maar in ruil aangeboden voor gronden dichterbij de raffinaderij, zoals Rio Canario en Groot Kwartier: doordat ze zoveel grond bezat kon Shell voor iedere gewenste hectare wel drie hectaren in ruil aanbieden.

Asfaltmeer of jeugdwerkkamp

Ook had de Shell in 1948 plannen voor de aanleg van een asfaltmeer te Brievengat, een reservoir van 5,5 miljoen kubieke meter ingeval Boeskabaai vol zou raken. Men had al toezegging van de gouverneur maar de urgentie voor de uitvoering werd minder waardoor het project niet werd uitgevoerd.

Later zou men Brievengat verhuren voor het stichten van een jeugdwerkkamp door de Kruisvaarders van Sint Jan, maar de bisschop koos op het laatste moment toch voor Brakkeput Ariba. Brievengat kwam uiteindelijk in handen van de overheid en het landhuis bij de stichting Monumentenzorg die de gebouwen in 1955 liet restaureren door de architect Sergei Alexenko. Een deel van het landhuis werd gemeubileerd in antieke stijl en gold als museum en toeristencentrum en het terrasgedeelte was jarenlang een populaire uitgaansgelegenheid.

Foto’s van landhuis Brievengat zijn, indien anders vermeld, van Anita de Moulin, R.I.P.

Lees ook Brievengat deel 2