Habaai
De voormalige plantage Habaai, alias Welgelegen, ligt aan de rand van de noordwestelijke oever van het Schottegat, het gebied dat tot in de 19e eeuw nog bekend stond als het Jodenkwartier. Landhuis Habaai is de enig overgebleven plantagewoning in dit gebied dat vanaf de West-Indische Compagnie plantage Rooi Canarie tot de plantage Welgelegen (Habaai) liep. Het werd vroeger ‘het Joode Quartier’ of Jodenkwartier genoemd en staat nu bekend als Schottegatweg-West.
Het Jodenkwartier
Na 1492 werden Sefardische joden uit Spanje en Portugal verdreven en vestigden zich in Amsterdam en Brazilië dat tientallen jaren onder Nederlands bestuur stond. Toen dit gebied door de Portugezen werd heroverd, vluchtten de joden naar Curaçao, maar ze mochten niet in de stad wonen. Ze kregen rond 1659 een strook van twee mijl langs de noordwestelijke oever van het Schottegat tot aan de Zwarte Berg toegewezen om landbouw te beoefenen. De joden hadden hier een eigen gebedshuis, begraafplaats (Beth Haim) en rechtssysteem. Belangrijkste plantages in het Jodenkwartier waren Valentijn, De Hoop (alias Judiu, Vreugdenberg) Bleinheim (Bleijheijm, Beth Haïm, Bloemfontein), Rozentak, Heintje Kool (Heinchi of Nooyt Gedagt), Roosendaal, Gasparitu (Cattenbergh of Ma Retraite), Marchena (alias Goede Hoop, Buena Esperança, Rust en Vrede, Vrijheid) en Welgelegen waar nu nog het landhuis Habaai of Welgelegen staat. Het waren veelal kleine plantages waar onder andere tabak en suiker werd verbouwd, maar Valentijn, De Hoop, Bleinheim, Marchena en Gasparito stonden vooral bekend als waterleveranciers aan de stad en aan stoomschepen.
Naarmate de joden meer betrokken raakten bij het bedrijfsleven en dichter bij de stad gingen wonen, werden de huizen in het Jodenkwartier meer als buitenverblijf gebruikt. Maar rond 1915 verdwenen de meeste plantages, inclusief de landhuizen in dit gebied om plaats te maken voor de olieraffinaderij. En rond 1922 werd ook een gedeelte van de plantage Habaai langs het Schottegat gekocht voor de vestiging van olie-installaties, die hier echter nooit zijn gerealiseerd. Hier zijn nog steeds delen te zien van de grensmuren die eens rondom de plantage liepen. Op andere locaties zijn de plantagemuren verdwenen omdat delen van het terrein van Habaai verkocht zijn.
De naam Habaai
Habaai - ook wel als Habai of Habay geschreven - is afgeleid van Jacob Gabay Henriquez, die in augustus 1771 de plantage voor 5.603 pesos op een veiling kocht voor zijn kinderen Moses, Isaack, Aron en Ribca Gabay Henriquez. Tot 1792 bleef Habaai eigendom van deze joodse familie.
Het woord Gabay staat voor ‘penningmeester’, ‘koster’ of ‘voorzanger’ bij de joodse godsdienst. Habaai werd door latere eigenaars omgedoopt tot Pleasant Valley (1797) en Groeneberg (1825) maar de naam Habaai bleef zelfs in officiële documenten, hardnekkig voortbestaan.
De plantage was afwisselend in het bezit van joodse en protestantse eigenaars en is tenslotte in 1856 door monseigneur Kistemaker gekocht voor de katholieke kerk.
Buitenverblijf
Plantage Habaai was oorspronkelijk 105 hectaren groot, er werd een gemengd plantagebedrijf bedreven en in 1850 geëxperimenteerd met cochenille teelt: dit is een cactus die gekweekt wordt als huisvesting voor een schildluis die rode kleurstof opleverde voor de textielindustrie.
Maar in 1857 werd slechts putwater verkocht als opbrengst van de plantage. Uit een kaart uit 1836 is ook nog een zoutpan te zien bij Habaai, maar verder zijn er geen mededelingen hierover. Als plantagebedrijf was Habaai dus niet echt rendabel en werd het vooral gebruikt als buitenverblijf.
Men schat dat het landhuis omstreeks 1750 moet zijn gebouwd. Het is in barokke stijl opgetrokken met een façade daterend uit midden 18de eeuw. Het bestaat uit twee verdiepingen, heeft galerijen aan de voor- en achterzijde en een grote zolder. Het is diverse keren gerestaureerd, maar de originele keuken is verdwenen.
Welgelegen
Tegenwoordig kennen we alleen het gebied rondom het landhuis en het seniorentehuis als Habaai/ Welgelegen, maar de voormalige plantage bestreek vroeger het hele gebied tussen landhuis Habaai en Plantersrust/ Mundu Nobo - inclusief de bario’s Santa Helena en Ser’i Dòmi - en eindigde bij het RK kerkhof aan de Roodeweg tegenover winkelcentrum Colon. De begraafplaats was hier tegen de grensmuur van Habaai gebouwd en daarvan is nog steeds een gedeelte te zien.
Een tweede begraafplaats lag ongeveer in het verlengde hiervan bij de autodealer op Seri Dòmi en werd, bij de aanleg van deze laatste een aantal jaren geleden, geruimd omdat naar verluidt ‘hier toch geen belangrijke mensen waren begraven’.
Ook ten oosten van de autodealer, ter hoogte van de wijk Panama in Otrobanda, zijn er grensmuren te zien die duiden op een mogelijke verbinding/ overloop tussen beide laatstgenoemde begraafplaatsen, namelijk die bij de autodealer te Seri Dòmi en die aan de Roodeweg.
Diverse begraafplaatsen
In de transportakten van Welgelegen uit 1802 is er ook sprake van ’het kerkhof van de vrije negers en mulatten ten noorden van plantage Cortijn van Henry Basden’. Dit zou kunnen kloppen met een andere veronderstelling, namelijk dat Habaai niet bij het kerkhof in de Roodeweg eindigde maar verder nog naar het oosten, bij landhuis Kortijn, waar nu Pietersz Guesthouse is gevestigd.
Ook op diverse andere plekken in het voormalige Welgelegen waren graven te vinden, zoals onder de grote tamarindeboom bij het Maria Immaculata Lyceum. Deze liggen er niet meer, maar moeten waarschijnlijk nog van voor 1820 zijn want na dat jaar was het bij de wet verboden om doden te begraven buiten de daarvoor aangewezen locaties.
Graf di Habaai waren drie graven ten oosten van de Nijlweg, aan de voet van Ser’i Dòmi, (Fèlt Salu). Hier lagen Jan Hero van der Meulen, eigenaar van Habaai in 1803, zijn dochter Elisabeth van Raders-van der Meulen en zijn kleinzoon Constantin van Raders, wiens grafstenen bij het Curaçaos museum liggen.
Aan de voet van de Seru Pretu bij Santa Helena lag een vrij groot kerkhof, dat helaas door de ligging op de helling en regenval verdwenen is. De laatste jaren lagen er nog drie graven, van een priester en de twee zusters Sabelita en Simeon die niet op de gebruikelijke begraafplaatsen begraven wilden worden, maar liever daar, waar ze jaren hebben gewerkt.
De meeste zusters van Roosendaal zijn begraven op een speciale locatie te Welgelegen, schuin voor het gebouwencomplex te Habaai.
Weg naar Welgelegen
Door de jaren heen behoorde ook Plantersrust bij Habaai, maar het werd bij verkoop steeds afgestoten of weer bij Habaai gevoegd. Dit laatste was bijvoorbeeld het geval in 1828, toen Jeanette van der Meulen, eigenaresse van enkele scheepswerven in de haven, beide plantages bezat.
De naam Welgelegen” leeft nog voort in ‘Weg naar Welgelegen’ de belangrijke verbindingsweg die al vanaf vroeger vanuit Otrobanda naar het landgoed Welgelegen en naar Bándabou leidde.
Spionage en moord
Op 16 februari 1713 kwamen de Fransen aan land te Santa Cruz en marcheerden richting Punda. Bij de plantages Welgelegen van Gaspar Isaac Touro en Plantersrust van Moses de Castro zetten zij een kampement op om van hieruit Punda te veroveren. De officieren verbleven te Habaai en onderhandelden met gouverneur Jeremias van Collen voor een brandschatting en op 28 maart verlieten ze het eiland met een buit van 151.860 pesos.
Negentig jaar later, in 1803 vestigden ook de Engelsen hun hoofdkwartier te Habaai om hun aanval op Punda voor te bereiden. Op aanwijzingen van lokale spionnen wisten zij bij Piscadera af te meren en ook hoe zij het pas gebouwde fort Waakzaamheid te Ser’i Dòmi konden bereiken. Het fort te Piscadera was door gebrek aan kruit en kogels en de geringe bezetting van 13 man snel overgenomen waarna een plunder- en rooftocht begon in de buurt van Zjaro en Seru Pretu en uiteindelijk Habaai ingenomen werd als spionagecentrum.
Kogel door de kerk
Op 10 september 1803 verscheen luitenant, C.M. de Lange met een commando bij landhuis Habaai om de Engelse kapitein Robert Tucker te arresteren, maar werd door deze, op de trap van landhuis Habaai, door het hoofd geschoten. De Lange stierf een dag daarna, Tucker werd later toch nog op zijn schip gearresteerd en bij huiszoeking te Habaai werd een kistje met kruit aangetroffen als bewijs van spionageactiviteiten.
De forten Waakzaamheid en de Wreker te Seri Dòmi zijn in 1803 gebouwd ter bescherming van de stad tegen de Engelsen maar in 1804 werden de kanonnen van Waakzaamheid door de Engelsen richting stad gedraaid om deze te bombarderen. Een kogel uit dit treffen is nog steeds duidelijk te zien in de muur van de Fortkerk.
Protestants eigendom
Habaai was voor ongeveer 100 jaar in protestantse handen zoals dominee Wigboldus Rasvelt (1751 tot 1757 ) en de gouverneurs van Curaçao: Johannes de Veer ( rond 1795) en Reinier Frederik Baron van Raders (rond 1844).
Dòmi Wigbold Rasvelt kwam in 1730 aan op Curaçao en had als predikant een dienstwoning in Fòrti, Fort Amsterdam, maar kon met moeite de preek volmaken, “door zijn corpulentheid des lichaams en de ondraaglijke hitte”. Rasvelt was, wegens zijn echtgenote Sybrecht van Uytrecht, eigenaar van Ascencion en San Pedro maar die lagen te ver weg van de Fortkerk. Dus kreeg hij een dienstwoning in de Heerenstraat en kocht hij Habaai rond 1755 als gezinswoning. Op 1 juni 1756 vraagt hij om gezondheidsredenen ontslag aan en overlijdt een jaar later, na 27 jaar dienst op het eiland. Zijn naam leeft nog altijd voort in de Domineesberg, Ser’i Dòmi, (85 m) die vroeger tot Habaai behoorde en waar nu een volkswoningenbuurt is ontstaan naast het voormalig kerkhof. Volgens de geschiedschrijver M.D. Latour is het huidige landhuis Habaai, – als het uit 1750 dateert, waarschijnlijk gebouwd door Dòmi Rasvelt.
Katholiek bolwerk
Ook Seru Pretu (Zwarte Berg, 135 m), één van de drie gebroeders, ten westen van Habaai met diverse zendmasten en radarposten, dankt zijn oorspronkelijke naam aan een geestelijke: de Priesterberg (1835) naar pastoor Pirovano van Santa Anna, die daar woonde.
En Baraltwijk*, vlakbij Dòmi in de Roodeweg, is vernoemd naar monseigneur Miguel Baralt, een Venezolaanse priester en politiek activist die door president Guzman Blanco was verbannen. Mgr Baralt gaf les op Habaai, aan het st Thomas College en had ook een eigen school, het Concordia College in de Klipstraat.
Ook de namen van wegen in de vroegere plantage Welgelegen zoals Mgr. Kieckensweg, Pastoor van Koolwijkweg, Mgr. Verrietweg, Stoppelweg, Berg Dòmistraat Frater Radulphusweg, Frater Richardusweg, Soeur Gerardaweg en Pastoor Blommerdeweg herinneren nog aan het katholieke bolwerk dat de plantage eens was.
Zusters Franciscanessen
Habaai is een van de eerste landhuizen op Curaçao die een andere bestemming kreeg dan het oorspronkelijk gebruik als plantagehuis.
Welgelegen kwam rond 1864 in handen van de Rooms Katholieke kerk. In 1842 arriveerden, na een zeereis van 69 dagen, soeur Scholastique en nog 5 andere zusters Franciscanessen uit Roosendaal op Curaçao. In een huis op Molenplein hielden ze een pensionaat voor meisjes uit rijke Curaçaose en Latijns-Amerikaanse families. In 1864 kochten de zusters landhuis Habaai en in 1867 werd het pensionaat overgebracht naar het grote gebouwencomplex dat door de zusters voor dit doel werd aangelegd en Welgelegen werd genoemd. Het pensionaat werd later ook opengesteld voor niet-inwonende lokale jongedames die muziek- of taallessen wilden volgen. Zij werden soms in een auto met chauffeur naar Welgelegen gebracht.
In het landhuis werd een weeshuis gevestigd voor Antilliaanse meisjes. Het verhuisde later naar het nabijgelegen klooster Alverna in Welgelegen dat ook door de zusters was gebouwd, en in 1924 naar Santa Rosa. Alverna fungeerde oorspronkelijk als internaat voor veel meisjes van de andere Antilliaanse eilanden naast Curaçao. Vanwege onvoldoende onderwijsvoorzieningen op hun eigen eiland kregen ze bij Alverna (Curaçao) huisvesting maar ook onderwijs. Ook de diverse scholen in Habaai, zoals het Maria Immacalata Lyceum zijn door de zusters van Roozendaal gebouwd.
Na verhuizing van het weeshuis naar Alverna woonden de zusters zelf in het landhuis en hadden hier een bewaarschool, een meisjesschool en een school voor gebrekkige kinderen
Het pensionaat bestond nog tot 1940: omdat men toen geen risico wilde lopen met meisjes van zoveel verschillende nationaliteiten., werden ze in 1940, vlak voor het uitbreken van de oorlog, naar huis teruggestuurd.
Tijdens de WO 2 fungeerde Habaai ook als legerplaats voor de NT, Nederlandse Troepen en ook de de lokale Curaçaose schutters waren hier gestationeerd.
In 1942 werden oudjes van Santa Catharina naar Habaai overgebracht, werden er nog steeds ook gebrekkige kinderen verzorgd en was het landhuis enige tijd een verblijf voor zusters van het Wit Gele kruis.
Vanaf 1913 tot 1954 werden op Habaai ook onafgebroken vlechtcursussen voor hoedenvlechten voor volwassenen georganiseerd. Het hoedenvlechten was jarenlang een belangrijke bron van inkomsten voor vele Curaçaose gezinnen en door de export op grote schaal ook voor het eiland.
Zusters als grootgrondbezitters
De zusters werden alom gerespecteerd door de samenleving voor hun caritatieve werkzaamheden: Het was op Habaai waar de zusters woonden en waar vergaderingen plaatsvonden en beslissingen werden genomen in verband met vorming en het sociaal welzijn op Curaçao. Vanuit Habaai zijn van oudsher vele kloosters, scholen en verzorgingsinstellingen gebouwd.
De zusters werden ook als ‘grootgrondbezitters’ beschouwd door het enorme terrein dat Welgelegen vroeger besloeg. Ze hadden een eigen chauffeur tot hun beschikking en zijn familie kreeg later enkele zusterhuizen die dichtbij het grote gebouwencomplex staan, als schenking. Direct daarachter, in het grensgebied met Marchena lagen ook zogenaamde zusterhuizen die aan particulieren zijn verkocht. Ook in Baraltwijk staan zusterhuizen in dezelfde stijl gebouwd als die in het grensgebied Habaai/Marchena.
Zwembad in het Schottegat
Aan de Nijlweg bij Habaai ligt nog de fundering van het zoutwaterbad, aangelegd voor de rijke meisjes en de zusters. Het Schottegat was toen een schoon binnenwater. Van buitenaf kon je geen zwemmende zusters of meisjes zien. De dames daalden namelijk discreet af in het water in een gebouw dat over het water was gebouwd en waar geen vloer in zat!
Drieduizend kippen
Naast de bouw van kloosters en scholen door de Rooms Katholieke Kerk stond Habaai ook bekend om haar tuinbouwactiviteiten en pluimveeteelt: Pedro Casimiri, voormalig klusjesman bij het vicariaat zocht naar een woonhuis voor zijn gezin en kreeg het landhuis in bruikleen onder voorwaarde dat hij het zou onderhouden. En zo gebeurde het. Casimiri had ook tien kippen die zich gestaag uitbreiden tot 3000 kippen. Jongens uit de buurtwijk Santa Helena, zoals Tom Josefa, hadden hun handen vol aan het verzamelen van eieren op de farm. Toen het vicariaat nieuwe bestemmingsplannen had voor het landhuis verhuisde Casimiri met zijn gezin en de kippetjes naar het nabijgelegen landhuis Morgenster.
Joodse financiering voor Moslimkerk
Op de grens tussen Welgelegen en Baraltwijk aan het begin van de Roodeweg staat de Moskee. Bijzonder detail: de moskee van de Islamitische gemeente was eerst de woning van de katholieke familie van Monseigneur Ellis, gefinancierd met een lening en donatie van een joodse bankinstelling.
De moslims kwamen vroeger bijeen in het huis naast de moskee en tegenover Plantersrust. Dit huis was sinds 1962 eigendom van een Libanese familie: Amira Adboul el Ayubi vertelt dat haar vader een gebedshuis wilde bouwen en in verband hiermee een collecte hield onder geloofsgenoten. Dat had echter niet het beoogde resultaat en dus vroeg en kreeg hij een lening bij de MCB bank die hem bovendien ook fls 500,- als donatie meegaf. Beschaamd dat een organisatie behorend tot een andere geloofsovertuiging wel in hun gebedshuis investeerde, besloten de moslims nu wel bij te dragen en zodoende kon het huis van de vader van Monseigneur Ellis worden gekocht. De toren werd geheel gefinancierd door Rafat Dennaoui van Casa Rafaël in Suffisant.
De moslimbeweging bestaat uit drie stromingen die normaliter elk een eigen gebedshuis hebben maar op Curaçao één gebedshuis delen. De lokale moslimgemeenschap telt 1500 leden. Het officiële adres van de moskee is Welgelegen bij Habaai. (Er zijn op Curaçao diverse wijken die Welgelegen heten).
Surinaamse gemeenschap
Na de 2de wereldoorlog verrezen middenstandswoningen in Welgelegen, gebouwd voor voornamelijk ambtenaren, (contractant-) leerkrachten uit Nederland en Suriname en andere middenstanders.
Surinaamse migranten die verspreid over het eiland woonden, kwamen en komen bijeen in J.P.F. (Justitia, Pietas, Fides) een clubgebouw dat aan het begin van de tweede wereldoorlog in Welgelegen, aangrenzend aan Plantersrust werd gebouwd.
Een klein gedeelte van deze Surinaamse families woonde in het aangrenzende Santa Helena. Zo ook Bos Verschuur, die later tot directeur van de Landsradiodienst werd benoemd. In 1952 realiseerde hij vanuit zijn woonkamer in landhuis Santa Helena de eerste televisie-uitzending ooit op Curaçao met een eerste ontvangst in het JPF-gebouw.
Art Galery
In 2005 werd het landhuis gekocht door het echtpaar Verboom en van 2006 tot 2025 werd hier Art Gallery Alma Blou gevestigd met lokale en Caribische exposities. Landhuis Habaai is in 2025 verkocht.
Deze zone Habaai omvat de wijken Welgelegen, Habaai en Santa Helena (oftewel Bijgelegen).
Bronnen:
- Werkgroep Archeologie: Diverse Verslagen over Habaai;
- B.D. van der Velden: Habaai; Habai; Habay,Welgelegen ( niet
gepubliceerde documentatie);
- R Nooijen, Historia di Landhuis Habaai, La Union , diverse edities;
- P. Brenneker: Sambumbu, diverse edities;
- W. Renkema : Het plantagebedrijf op Curaçao in de 19e eeuw;
- F. Metry: History of the Lebanese families in Curaçao;
- Ministerie SOAW: Buurtprofiel Zone Habaai;
- J. van Ditzhuijzen:Landhuizen van Curaçao
- T. Bakhuis:Kompas – Videoproductie geschiedenis Telecommunicatie.
Foto’s landhuis Habaai zijn, indien anders vermeld, van Anita de Moulin, R.I.P.
Met dank aan: Herman Verboom, François van der Hoeven, Fundashon Bario Santa Helena, Christel Monsanto, Jeroen Heuvel, Allan van der Ree en Unidat di bario