Hato

Hato

Hato is uniek als één van de enige twee plantages op Curaçao – de andere is San Pedro- waar altijd stromend water aanwezig was en is. Met in totaal 9 waterbronnen is Hato nog steeds één van de meest waterrijke voormalige plantages op het eiland. Het was – met 1400 hectaren – ook één van de grootste plantages op Curaçao en bestond in 1700 al als zodanig. Als eigendom van de West Indische Compagnie en diende het bovendien als buitenhuis voor de gouverneurs van Curaçao.

Verder behoren ook Ro’i Rincon, dat ten westen van Hato ligt en de Vlakte van Hato, dat in het middengedeelte van de noordkust van Curaçao ligt, tot deze voormalige plantage. De Vlakte is 5 kilometer lang en wordt aan de ene kant geflankeerd door de ruwe noordkust en in het zuiden aan achtereenvolgens de vroegere plantages /tegenwoordige wijken Mahuma, Suax, Gatu, Papaya, Grote Berg en Daniel.

Hato grenst in het westen tenslotte aan San Pedro. Voor wat betreft het oostelijke deel, grenst Hato aan plantage Noordkant en in het zuidoosten aan Sint Jacob.

Tenslotte behoorden ook het huidige Seru Fortuna, de wijk Juan Domingo achter Esperamos Supermarket aan de Jan Noorduynweg en een groot deel van de Rooseveltweg vroeger nog tot deze enorme plantage.

Historie

Ten oosten van landhuis Hato waren er drie belangrijke natuurlijke waterbronnen: Twee permanente bronnen, Boca de Leeuw en Bak Ariba en één die alleen gedurende het regenseizoen actief is. Verder zijn er ook diverse andere kleinere bronnen waardoor Hato altijd al de ‘principaalste waterplaetse’ werd genoemd. Ten gevolge van het overvloedige water was het al van oudsher door indianen bewoond en beschikte Hato over een zeer productieve plantage en de beste weidegronden. Hier zijn ook vele indianentekeningen gevonden in de nissen en ook stuitte men op 2 skeletten van deze vroegere eilandbewoners.

Hato betekent ‘veeplaats’ of ‘herderkamp’ in het Spaans en was lange tijd een veeplantage met een uitgebreide veestapel bestaande uit runderen, schapen en geiten. Verder lagen hier grote maisvelden en werden verschillende gewassen gekweekt, onder andere ten behoeve van kampen voor tot slaaf gemaakten op Zuurzak en Sint Joris.

In 1717 verhuurde de West Indische Compagnie WIC al haar plantages, behalve Hato dat in haar eigendom bleef totdat de WIC in 1792 werd opgeheven en Hato in 1797 voor het eerst aan particulieren werd verkocht. Het was tijdens de laatste jaren dat de WIC nog bestond, haar grootste plantagebezit.

Kuuroord

De gouverneurs van Curaçao, zoals van 1740 tot 1758, Isaac Faesch, verbleven hier graag en nodigden (logeer) gasten zoals hoge militairen en ambtenaren op het buitenverblijf te Hato.

Door het overvloedige water waren hier waterbassins aangelegd, waardoor men gebruik kon maken van de heilzame werking van het bronwater. Zo kwam ook de latere monseigneur Niewind die aan een leverkwaal leed, op Hato kuren en was het landhuis in 1818 als bed, bath and breakfast ingericht. In 1843 werd logement aangeboden, inclusief maaltijden, bad, paard en rijtuig.

Slavenopstand

De plantage werd ook gebruikt als entrepot voor slaaf gemaakten als de gebruikelijke opvangcentra te Zuurzak en Sint Joris al vol zaten. In 1750 brak hier de tweede *opstand op Curaçao uit, ditmaal onder 59 slaafgemaakten uit Elmina, die nog maar kort op het eiland zaten. De opstandelingen waren gewapend met onder andere houwelen, een opzichter kwam om het leven en nog dezelfde dag werd de opstand bloedig uiteengeslagen. Daarbij pleegden vele opstandelingen zelfmoord in de vele nabijgelegen nissen van Seru di Mahuma of door van de rotsen aan de woeste Noordkant te springen. Anderen werden op gruwelijke wijze ter dood gebracht.

Begraafplaatsen

Bij het Landhuis van Hato staan nog diverse historische monumenten. Zo ligt ten oosten van het landhuis een klein ommuurd kerkhof met 6 cilindergraven en een ‘normaal’ graf, zeer waarschijnlijk van voormalige plantage-eigenaren. Het kerkhof, een beschermd monument, is in 2016 gerestaureerd maar in april 2023 helaas beschadigd door bouwrijp maken van een nabijgelegen stuk grond. Het ligt pal naast de ruïne van het directeurshuis, een verdiepingswoning waar in vroegere jaren de directeuren van het bronwaterzuiveringsfabriek te Hato hebben gewoond.

Naast dit kerkhofje is -bij toeval – ook een niet gemarkeerde begraafplaats voor tot slaaf gemaakten ontdekt tijdens vroegere graafwerkzaamheden op het terrein.

Andere monumentale gebouwen in de buurt van het landhuis zijn een kleine gevangenis- waarvan de tralies nog te zien zijn met daarnaast een kleine bron. Hier ligt ook het voormalig hofje van Hato met een enorme Palu di Mangel. Aan weerszijden van de gevangenis lopen slavenmuren waarvan het zuidelijk gedeelte tot aan het directeurshuis doorlopen.

Rincon

Ten westen van Mahuma, tegenover Aerocargo, ligt Roi Rincon, die vanwege haar waterbronnen, al sinds 4500 jaar geleden bewoond werd door indianen. Het is, na Rif Sint Marie de oudste woonplaats van indianen op Curaçao. Roi Rincon komt uitgebreid aan de orde op een andere page van deze website

De Weg naar Hato

Bij de gouvermentsplantage Hato werkten arbeiders die bijna allen 60 plusssers waren. Gouvernementsslaven hadden de beste kans om vrij te komen, omdat de WIC eerder geneigd was een vrijbrief te geven dan particuliere plantage-eigenaars.

Zo waren er in 1773 op Hato 100 tot slaaf gemaakten, het merendeel 50 plussers, waaronder ook een zekere Maria die wel 100 jaar oud was. Het waren de gouverneurs die hun werkkrachten wegens ‘trouwe dienst’ of getoonde ijver een vrijbrief gaven met daarbij vaak ook een flink stuk overheidsgrond als ‘bonus‘. Zodoende ontstonden diverse plantaadjes rondom de vroegere Weg naar Hato, het tegenwoordige Rooseveltweg. Deze plantaadjes zijn nu verkaveld in wijken die vaak nog verwijzen naar namen van de eerste eigenaars, vroegere slaafgemaakten van Hato: Vanaf de rotonde bij Thorenquest (is een achternaam en ligt nabij landhuis Morgenster) richting Hato treft men links en rechts van de weg onder andere aan: Luis Paula, Calabare, Juan Hato, Baas Gracie, Guanapa, Nanie, Gora, Jenefoe, Kanga en Juan Nota.

Juan Domingo en Seru Fortuna

Twee grotere plantages, op dezelfde manier uit Hato ontstaan, zijn Juan Domingo, (75 ha) en Seru Fortuna (150 ha) als donatie van de scheidende gouverneur Du Fay.

Juan Domingo, achter Esperamos Supermarket is aan Juan Domingo geschonken: ”…op 15 januari 1731 wegens trouwe dienst de West Indische Compagnie bewezen, een stuk grond ten westen van de weg naar Hato en regt tegenover plantage Lugtenberg (Mahuma) met daarop staand huis”.

In hetzelfde jaar kreeg ook de ‘vrije’ Francisco Beltran een stuk grond van de gouverneur die zijn fortuinlijk bezit ‘Seru Fortuna’ noemde. Beltran was zeker nog fortuinlijk: gouverneurs werden hierna erop gewezen niet meer zo vrijgevig om te gaan met gouvernementsgronden.

De plantage Hato kwam na diverse particuliere eigenaars te hebben gehad, in 1924 weer in handen van de overheid die hier watervoorzieningsinstallaties wilde bouwen. Dit plan ging niet direct door, waarop in 1929 het vliegveld aangelegd. Na de Tweede Wereldoorlog kwam de bronwaterzuiveringsfabriek er alsnog.

Militaire basis

Tijdens de Tweede Wereldoorlog was er maar één toegangsweg naar de Amerikaanse luchtmachtbasis te Hato. En die lag aan het eind van de Weg naar Hato, nabij de huidige Cabo Verdeweg en tussen twee heuvels in: Seru di Bórdo (steile rotswand) zoals de noordoosthoek van Seru Mahuma wordt genoemd en het tegenoverliggende Seru Rondó, een rond heuveltje met een kalkstenen top. De twee heuvels vormden een natuurlijke verdediging aan de ingang van Hato: de Porta di Hato. De Archeologische Werkgroep vond op Seru di Bórdo nog restanten van een onverharde weg en op Seru Rondó munitie uit omstreeks 1950 en ook veel aardewerk uit vroegere tijden.

Rond 1942, tijdens de tweede wereldoorlog, waren Duitse onderzeeërs namelijk zeer actief in het Caribisch gebied en stationeerden Amerikanen opsporingsvliegtuigen te Hato. Hun belangrijkste doel: onderzeeërs opsporen en tot zinken te brengen om tankers en de olieraffinaderij te beschermen in verband met de noodzakelijke productie van vliegtuigbrandstof. De olieraffinaderijen op Curaçao en Aruba waren tijdens de WO2 goed voor productie van 70% van de jet fuel van de luchtmacht van de geallieerden.

Bull’s Eye

En verderop op de vlakte van Hato werd een bull’s eye geïnstalleerd als oefenterrein voor de Amerikaanse vliegtuigbommenwerpers. (zie video op deze page van Greyan Films).

Tussen 1945 en 1953 verrees op Hato het eerste stationsgebouw. Dichtbij stonden waarschijnlijk ook gebouwen voor de productie van asfalt en andere bouwmaterialen die nodig waren voor het grote militaire vliegveld. Hato was één grote luchtmachtbasis: President Franklin Delano Roosevelt (vandaar de naam F.D. Rooseveltweg dat vanaf de raffinaderij naar het vliegveld liep) stuurde 7.000 militairen naar Curaçao.

Ook te Roi Rincon aan de overkant van het vliegveld, zijn nog funderingen te vinden van Amerikaanse barakken.

Verder was ook de ligging van Seru di Mahuma nabij Hato van strategisch belang: hier waren zoeklichten geïnstalleerd en de militaire oefeningen werden met spanning gevolgd door de jongeren van die tijd, die nu de oudere bewoners van Mahuma zijn.

Een van hen is Janshi, Johannes Virginie, die als 17 jarige een baantje als keukenhulp had bij de Amerikaanse basis , waar hij enorm grote potten en pannen moest afwassen. Hij vertelt dat er op Hato drie keukens waren, één in het westen gelegen dat Fifty nine’ heette en Sixty Six dat in het oosten lag en de derde dat ongeveer in het midden van de militaire basis was gelegen. De militairen gaven eerst restanten van maaltijden aan de buurtbewoners als varkensvoer, maar ze kregen later ook maaltijden voor eigen gebruik. De militairen hadden op Hato een kerkje, een bioscoop en vele barakken, waarvan een deel nog te zien zijn als verbouwde woningen rondom de weg vanaf Hato naar de Meteorologische Dienst op Seru di Mahuma.

Zoals zovele families in Mahuma had ook Janshi’s vader een kunuku op Hato, maar tijdens het verblijf van de militairen hadden ze geen toegang tot de locatie.

De Amerikanen hebben tegenwoordig de FOL- Forward Operating Location – geïnstalleerd in het westelijk gedeelte van het vliegveld.

Pomphuis

Volgens de Werkgroep Archeologie werd kort na de Tweede Wereldoorlog door de Land’s Watervoorziening (LWV) de bronwaterzuiveringsfabriek op Hato gebouwd. De grote bron van Hato was hierbij zo belangrijk dat men er een soort bunkertje omheen bouwde. Er is toen een leiding aangelegd vanuit Hato naar de luchthaven, die toen een snelle groei doormaakte, en de naaste omgeving. Hierbij werd het water uit de grote bron op de plantage eerst in de fabriek gezuiverd: in een grote tank werd, door middel van filtratie door een kleine steentjesbed, de aanwezige kalk uit het water verwijderd waardoor het de kwaliteit van drinkwater kreeg. Het pomphuis staat er nog steeds.

Het gedenkboek van LWV van 1928 tot 1952 vermeldt verder dat de bronwaterzuiveringsfabriek werd gebouwd omdat Hato en de luchthaven te ver weg lagen van het waterdistributiesysteem van de stad.

De zingende groenteboer

Dichtbij de grote bron staan ook de restanten van een groot, oud, open waterreservoir dat uit kalksteen is opgetrokken.

Ten oosten van het officiële kerkhof staan ook grote opvangbakken, die in verbinding stonden met de bron “Bak Ariba” op Hato, maar tegenwoordig niet meer onderhouden worden. Deze opvangbakken werden gebruikt voor tuinbouw op de aansluitende vruchtbare Vlakte van Hato.

In de jaren 50 van de vorige eeuw verbouwden families uit Seru Fortuna en Mahuma perceeltjes huurgrond op het laagterras van de Hato vlakte ten westen van het vliegveld, waar goede Maishi chikí en rankvruchten werden geoogst.

Eind jaren 90 werden de reservoirs nog gebruikt voor tuinbouw door Rudy Plaate, ‘de zingende groenteboer’: Op het vlakke terrein vóór het kerkhofje verbouwde hij jarenlang groenten en fruit, waarbij hij de bron gebruikte als irrigatie.

Curaçaose Savignon

Hij werd in 2014 opgevolgd door de Curaçao Winery die de vruchtbare tuinbouwgrond combineerde met het aanwezige water en heerlijke lokale wijn wist te bereiden. Vooral de Savignon druivensoort deed het goed in het Curaçaose klimaat en de kalkrijke grond. Daarnaast werden ook bed & breakfast faciliteiten aangeboden waardoor men, net als in vroegere tijden, in één van de 4 slaapkamers van het landhuis kon overnachten.

Helaas werd het project in 2016 beëindigd: Curaçao Airport Holding, de CAH, die de overheidsterreinen op Hato, inclusief het landhuis beheert meende dat de druiven veel vogels zouden aantrekken die een gevaar zouden vormen voor de luchtvaart. Na sluiting van de Winery zijn zowel het landhuis en diverse bijgebouwen in verval geraakt. Het bronwater- eigenlijk ook een kostbaar monument op zo’n droog eiland – vloeit niet meer over de akkers waar eens groenten, fruit en zoveel druivenranken groeiden.

Wat er in de nabije toekomst met landhuis Hato en de daarom heen gelegen monumenten gaat gebeuren is onbekend.

Spilón

In de bocht bij Seru Bórdo, net vóór de ingang van de grotten van Hato, woonde een Arubaans echtpaar: Ma Nicha en Zjèn Koito. Zjèn was paardetemmer die eens van een paard was gevallen waardoor hij mank liep, maar dit hinderde hem niet om het werk te blijven doen. Zijn vrouw Nicha was één van de eerste gidsen van de Grotten van Hato. Met een fakkel, gemaakt van verdorde datu, leidde zij bezoekers door Spilón, de vroegere naam voor de Grotten van Hato die eigenlijk in het midden van Seru di Mahuma, tegenover het vliegveld, liggen.

De Grotten van Hato zijn meer dan 300.000 jaar geleden door karstwater gevormd en bestaat uit diverse zalen met tientallen kalksteenformaties in alle denkbare vormen en constructies en sculpturen. Vele sculpturen hebben door de jaren heen een eigen naam gekregen zoals het Heilige Maria- beeld, de Zeeschildpad en de Piratenhoofd, maar laat vooral je fantasie de vrije loop, er zijn zoveel sculpturen die vaak verschillend worden geïnterpreteerd.

Vallende geiten en vliegende muizen

Het natuurmonument reikt tot 60 meter boven de zeespiegel, waardoor het heerlijk koel is. Op diverse plekken is de grot nog levend, getuige het karstwater dat nog steeds aan stalagtieten van het plafond druppelet Ook is er een zaal met een ‘Waterpool‘ waarin karstwater naar boven komt drijven. Zeer levend zijn ook de vleermuizen die in geen enkele grot op Curaçao ontbreken en die bij het vallen van de avond een happy hour houden: er is dan een drukte van belang van deze in-en uitvliegende nachtdieren die ongeveer 5 cm groot zijn.

Boven Spilón is de ‘bentana’, een opening bovenin de grootste zaal dat nu is afgedekt met een raster omdat geiten hierdoor naar beneden vielen… en waardoor de grotten werden ontdekt!

Het ‘interieur’ van de zaal is door het binnenvallende licht via de ‘bentana’ nog beter te zien.

Onder begeleiding van een gids kun je hier de diverse zalen bezoeken en foto’s mogen alleen op aangewezen locaties worden gemaakt. Ook buiten de Grotten is een wandelpad aangelegd langs de nissen wand met bordjes met beschrijving van de flora en fauna. Bij een nis is hekwerk aangebracht ter bescherming van indiaanse tekeningen op de rotsmuur, maar je kunt ze goed zien en fotograferen.

De zwarte kleur op de rotsen wordt veroorzaakt door verweerde algen die in de regentijd op de rotsen groeien en gedurende de droge tijd afstierven

*De eerste opstand was in 1716 te Rif Sint Marie

De Grotten van Hato worden beheerd door Carmabi, The Caribbean Research and Management of Biodiversity.

Curaçao Airport Holding, de CAH, een overheid NV, beheert de voormalige plantage Hato inclusief het landhuis en er zijn plannen om hier een recreatie-oord aan te leggen.

Bronnen:

  • Diverse verslagen werkgroep Archeologie
  • P. Brenneker: Diverse edities Sambumbu
  • W. Renkema: het plantagebedrijf op Curaçao eind 19e eeuw – 1981
  • Het gedenkboek van de Land’s Water Voorziening (LWV) van 1928 tot 1952

Met dank aan: François van der Hoeven, Leon Pors , Frensel Mercelina en Liesbeth Mantel