Kenepa

Kenepa

In Memoriam Anita de Moulin

Deze page over Kenepa is opgedragen aan Anita de Moulin (1957-2021). De meeste foto’s van landhuis Kenepa zijn door Anita gemaakt, zij had een ware passie voor het Curaçaose landhuis. Zo heeft ze jarenlang informatie en oudere foto’s verzameld van de landhuizen en maakte ze zelf uitgebreide foto-rapportages, vaak aangevuld met interviews met de bewoners. Laatstgenoemde documentatie is helaas niet te achterhalen, maar haar fotorapportages zijn nog te zien op de Website van Rob Schatborn www.nosdushitera.nl.

Anita maakte voor het eerst deel uit van de Archeologische Werkgroep in 2010 en ging, ondanks haar fragiele gezondheid, nog vlak voor de laatste speurtocht van de Werkgroep in 2020 nog mee.

Opdat haar inspanningen niet in vergetelheid geraken, zullen haar foto’s ook op diverse pages van deze website te zien zijn.

Dankjewel Anita, voor je bijdrage in de documentatie van dit onderdeel van de Curaçaose historie: het Curaçaose landhuis.

Kenepa

Kenepa, oftewel Knip was vroeger de belangrijkste producent van dividivi (alias watapana- oftewel waaibomen) op het eiland. De droge dividivipeul was in die tijd een belangrijk exportproduct ten behoeve van de leerlooierij: dierenhuiden worden gelooid om het rottingsproces tegen te houden. De plantage stond eind 19de eeuw vol met de weelderigste dividivibomen van het eiland, ondanks de primitieve werkwijze: de peulen werden namelijk met geitenmest uitgezaaid. En mede dankzij de dividivi was Kenepa één van de grootste en best producerende plantages op Curaçao.

Geschiedenis

Herkomst van de naam Knip is niet helemaal duidelijk. Op een kaart uit 1754 verschijnen de namen “Groot- en Klein Knibbe” voor de twee baaien bij Knip: de Grote Knipbaai (Playa Abou) en de (Kleine) Knipbaai. Ook had men het vroeger over “de Knip”. In de volksmond heet de voormalige plantage Kenepa, naar een altijd groene boom met ronde groene vruchten met een grote harde pit. Minder bekend is de Kenepa Spiritu of Guyaba baster waarvan de vruchten enigszins op de kenepa lijken maar niet eetbaar zijn.

Historici schatten dat het rond 1693 is gesticht en noemen 1696 als bouwjaar van het landhuis. Uit een taxatielijst van 1857 blijkt dat het 850 hectare groot en fls 16.000,- waard was. Rond 1875 woonden hier 400 mensen, stonden er 175 hutten en 5 stenen woningen, alsook koralen en mangasina’s. Bekend is ook dat de plantage omringd werd door knoekhuisjes van vrije lieden en achter de bijgebouwen van het landhuis, richting Kleine Knip zou volgens de overlevering een begraafplaats liggen van tot slaaf gemaakten.

Naast dividivi was Knip ook een grote leverancier van wol (in 1893 goed voor 1000 kg, afkomstig van merinoschapen), geitenvellen, bonen, indigo, maïs, aloë en waarschijnlijk ook verfhout (brasiel).

Het landhuis is in de zestiger jaren aan de overheid verkocht. Het is in 1985 gerestaureerd en dient als huisvesting van MuseoTula.

Wie was Tula?

Tula was de leider van de grote vrijheidsstrijd van slaafgemaakten tegen de koloniale overheersers. Deze begon in augustus 1795 bij landhuis Knip.

Charles do Rego die zich in de documentatie van de vrijheidstrijd en het daar opvolgend gerechtelijk proces heeft verdiept, meent dat de leiders van de strijd geen simpele veldwerkers waren, maar een bepaalde positie bekleden in de respectievelijke plantagesamenlevingen. Zo was Bazjan (afgeleid van Bastiaan) Karpata opzichter van plantagehouder en latere gouverneur Kikkert en had hij de sleutels van de wapenkamer.

Haïtiaanse slaafgemaakten hadden zich kort daarvoor vrijgemaakt van de slavernij en onder de vrijheidsstrijders op Curaçao bevonden zich ook Haïtianen. Louis Mercier was belast met de strategische planning, het was zijn idee om Fontein te gebruiken als belangrijkste basis omdat je vandaaruit zicht had op beide wegen vanuit de stad naar Banda bou. Van de leider, Tula, stond in ieder geval vast dat hij enigszins Frans verstond, op Curaçao geboren was en mogelijk een vertrouwenspersoon was van de Shon zoals bijvoorbeeld een opzichter. Geschat wordt dat hij ten tijde van de strijd 40 jaar oud was. Op transportaktes uit 1806 komt de naam van zijn moeder, Esperansa of Spransa voor. Zijn vader is onbekend, kinderen werden altijd met de naam van de moeder geregistreerd, vaders werden nooit genoemd. Ook Nicolas , een broer van Tula, nam deel in de strijd, maar is pas veel later dan Tula terecht gesteld omdat men hem zoveel mogelijk probeerde uit te horen.

De vrijheidsstrijd

Op de ochtend van 17 augustus 1795 kwamen zo’n 40 à 50 slaafgemaakten onder leiding van Tula bijeen op het plein voor het landhuis nadat de slavenbel werd geluid. Ze gaven te kennen die dag niet aan het werk te zullen gaan omdat ze niet het volle wekelijkse rantsoen hadden ontvangen. Casper van Uytrecht sr, destijds plantage-eigenaar zei dat ze hun beklaag maar bij de gouverneur moesten doen. De groep volgde dit advies en vertrok hierop naar Santa Cruz, waar ze zich voegden bij een groep slaven onder leiding van Bazjan Karpata. Ook lotgenoten van de omliggende plantages Zorgvlied, Savonet, Wakawa en San Hironimo sloten zich aan. Op weg naar de stad werden mangasina’s opengebroken en vee geslacht om te kunnen eten. Om te voorkomen dat ze in de rug zouden worden aangevallen keerde een groepje onder leiding van Louis Mercier terug naar de forten te Santa Cruz en Knip en nam vandaar uit krijgsgevangenen, geweren en kanonnen mee.

Confrontatie

De forten te Knip en Santa Cruz hebben dus een belangrijke rol gespeeld in de strijd van 1795. Het was de eerste actie tegen de gewapende militairen. Dankzij de buitgemaakte geweren en kanonnen kon men zich later bij Fontein beter verdedigen tegen de militaire overmacht uit Willemstad.

De koloniale regering reageerde door alle putten in de buurt van de Christoffelberg te laten vergiftigen, de maisvoorraad te vernietigen en clementieverklaringen en geldbedragen uit te loven voor wie de leiders aan het bestuur zou uitleveren. Bij het uitbreken van de opstand vluchtten de meeste plantage- eigenaars naar de stad, behalve enkelen die hun werkkrachten met vele beloften rustig probeerden te houden.

Gedurende twee weken volgden er meerdere confrontaties met het koloniale leger. Maar geïsoleerd in kleine groepen, in een omgeving waar geen dichte bossen zijn om te schuilen en door honger, uitputting en verraad van hun eigen mensen moesten de vrijheidsstrijders het tenslotte afleggen tegen de koloniale overmacht. Daarbij zijn de leiders onder andere geradbraakt, onthoofd en opgehangen, wrede straffen die niet in verhouding staan met de gepleegde daden. Op Haïti hadden de vrijheidsstrijders de blanke families uitgemoord, iets dat op Curaçao niet het geval was, mede dankzij de instelling van Tula dat men slechts vrij wilde zijn. Hun strijd geldt in ieder geval als één van de belangrijkste mijlpalen in het emancipatieproces van het Curaçaose volk.

De vloek

In haar boek ‘Verhalen uit het verleden,’ verhaalt Els Langenfeld over de vloek van Knip:

“Een vorm van verzet door slaafgemaakten zou het vergiftigen zijn van hun meester, maar het was niet vanzelfsprekend dat zij dan automatisch schuldig werden bevonden. Zo meldde Caspar Lodewijk van Uytrecht Jr de twijfelachtige dood van zijn tante Jannetje Martha van Uytrecht, weduwe van Carel van der Meulen, volgens hem overleden na het eten van vergiftigde vis. De weduwe had op haar plantage te Knip vette vis gegeten, wandelde daarna naar plantage Zevenbergen, waar haar dochter Dorothea Elizabeth logeerde bij de aangetrouwde familie Robertson. Moeder en dochter dronken daar samen koffie, werden beiden onpasselijk en begonnen te braken. Dorothea nam wat olie in tegen het braken en knapte op maar haar moeder weigerde dit medicijn en overleed 12 dagen later ten gevolge van het constante braken en uitdroging.

Alle huisslaven te Zevenbergen hadden toegang tot het rattenkruid dat daar aanwezig was, maar dat was volgens de politiecommissaris geen reden hen te verdenken. Vooral omdat twee bediendes van de weduwe ook ziek werden na het eten van dezelfde vis en zij niet meegegaan waren naar Zevenbergen. De Raad oordeelde dat de dood van de weduwe te wijten was aan de vette vis die zij die middag had gegeten en daarmee was de zaak afgesloten.“

Luxueuze inrichting

De weduwe van Van der Meulen was de dochter van Caspar Lodewijk van Uytrecht sr., eigenaar van Knip ten tijde van de slavenopstand in 1795. De plantage, al sinds 1760 eigendom van de familie werd na zijn dood in 1806 op publieke veiling door zijn schoonzoon Carel van der Meulen gekocht voor 26.000 pesos. Van der Meulen overleed 3 jaar later en liet Knip, Plantage Paradijs (nu bekend als Hel), aandelen in scheepstimmerwerven te Scharloo en huizen te Scharloo, Berg Altena en Otrobanda achter aan zijn weduwe. Maar in het jaar van haar overlijden bezat ze alleen nog Knip en Zevenbergen. Ze had een groot deel van haar eigendommen moeten verkopen. Uit een overzicht van haar bezittingen dat na haar dood in 1832 werd opgesteld, bleek dat het landhuis voor die tijd zeer luxueus was ingericht met onder andere mahoniehouten meubels, schilderijen en spiegels.

Er waren toen 128 slaafgemaakten waarvan 14 veewachters. Ook waren er 1784 schapen, 219 runderen, 41 ezels, 13 paarden, 560 geiten, 2 muilezels, 10 kalkoenen, 177 kippen en 75 eenden. Op de plantage stonden verder twee grote magazijnen voor de opslag van maïs en een kleinere met een voorraad maïszaad voor het volgende plantseizoen, pinda’s, bonen, tuingereedschap en draag- en melktobben. Ook waren er 3 ossenkarren voor vervoer van plantageproducten naar de stad.

Onfortuinlijke eigenaars

De plantage met inventaris werd na de dood van de weduwe gekocht door de Schot George Robertson, getrouwd met haar dochter Poulina van der Meulen. De plantage stond op haar naam maar zij verbleef zelf in de Verenigde Staten. Opvallend detail: ook Robertson overleed drie jaar nadat hij Knip had gekocht…..

De overledene woonde in Otrobanda en bezocht maar af en toe de plantage. Na zijn dood bleken inventaris en veestapel behoorlijk uitgedund. Na Robertson kozen alle daaropvolgende eigenaren ervoor ver van de plantage te wonen. Robertson’s weduwe vertrok kort daarop naar Schotland waar zij in 1853 overleed.

Knip werd in 1864 door Charles van der Meulen Robertson uit de boedel van zijn moeder gekocht. Hij woonde in Liverpool en liet het beheer van de plantage over aan Abraham de Veer die zelf ook plantage Groot Kwartier bezat. Tot eind van de 19de eeuw bleef Knip in buitenlandse handen, wat uitzonderlijk was op Curaçao: plantage-eigenaren woonden doorgaans op hun landgoed, Knip en Savonet waren de enige uitzonderingen. Ook de laatste eigenaar van Knip was alleen in het weekend op zijn landgoed te vinden.

De slavenbel

In de borstwering van het landhuis ziet men nog steeds de plek waar de door Tula zo gehate slavenbel zou hebben gehangen. Deze werd door de laatste eigenaars van Knip geschonken aan de eigenaars van landhuis Girouette waar het aan de achterzijde van het landhuis werd opgehangen. Het is later teruggegeven aan het museum te landhuis Knip.

Die slavenbel bleef ook na de officiële afschaffing van de slavernij een gehaat voorwerp. Als de klok van het landhuis luidde, was je als bewoner van Knip verplicht te werken voor de plantage-eigenaar, de shon. Zelfs van de vis, gevangen van eigenhandig vervaardigde netten in de wateren bij Knip, ging een deel verplicht naar het landhuis, evenals schildpadden die in de baaien van Knip werden gevangen.

Na de afschaffing van de slavernij bleef een groot aantal vrijgemaakten namelijk op Knip wonen, waar zij een stuk grond van de shon mochten verbouwen, in ruil voor een deel van de opbrengst in landbouwproducten: het zogenaamde paga-tera-systeem. Dit gebeurde op Knip, het grootste gedeelte van Lagun en ook een deel van Westpunt, waardoor men afhankelijk bleef van de shon. De naam Kòrta p’e tussen Westpunt en Knip refereert naar het ‘paga tera systeem en betekent letterlijk ‘ voor hèm snijden’: een deel van de afgesneden mais was immers voor de shon bestemd.

Wordt vervolgd : lees ook Kenepa deel 2