Malpais (deel 1)

Malpais (deel 1)

In het uiterste westen van de zoutpannen van Malpais liggen mooie ,door erosie afgesleten ronde groene rotsen. De groene kleur duidt op het kopererts dat hier in de grond zit. In de 19e eeuw is een poging gedaan om hier koper te ontginnen maar exploitatie bleek niet rendabel. Wel staat hier nog de ruïne van een éénkamer-huisje dat bij de mijn hoorde.
Nabij de kopermijn ligt het Graf di Malpais. Hier lag eens een massale gaf van slachtoffers van een epidemie die aan het begin van de 20 e eeuw heerste. Door vele oudere mensen werden hier nog lang kaarsjes aangestoken en gebeden. Een deel van het graf is intussen verdwenen door naburige bebouwing.

Zoutdisputen
Het vrij diepe binnenwater achter de baai van Sint Michiel vormt de grens tussen Sint Michiel en Malpais. Beide plantages hadden zoutpannen in de baai die waarschijnlijk eind 19e eeuw zijn aangelegd. Na de vele disputen over de zoutpannen in de binnenbaai besloot de overheid het beheer voortaan zelf in henden te nemen en dat de weduwe van Johan Herman Röomer van Malpais in uitzonderlijke gevallen ook zout mocht ‘oogsten’.
Vooral aan de westzijde van de binnenbaai zijn nog diverse funderingen van muurtjes te zien, die moesten voorkomen dat regenwater de saliña binnen zou stromen en het zout uit de pannen zou wegspoelen.

Grootste plantage Midden divisie
Malpais werd aangelegd door de West Indische Compagnie, die het eiland beheerde na de verovering in 1634. Het was oorspronkelijk 930 hectare groot, eens de grootste plantage in de midden divisie van Curaçao. Het omvatte toen ook de omliggende plantages Gatu, Suax, Weitje, Papaya, Meiberg, Grote- en Kleine Berg, Klein Malpais, Daniël en Siberi. Deze werden eind 18e eeuw afgesplitst en verkocht aan particulieren.
De naam Malpais (= slechte grondsoort) is door de Spanjaarden gegeven en bestaat volgens een expert op het gebied, François van der Hoeven, uit drie soorten gesteenten:
1. Onderzeese uitvloeiingsgesteente (diabaas),
2. Afzettingsgesteente (Midden Curaçao Formatie) en
3. Kalkgesteenten (fossiele koraalriffen).
Diabaas is vruchtbaar maar op veel plaatsen te hard om landbouw te bedrijven, de Midden Curaçao Formatie is veel minder vruchtbaar en op kalksteen kan men niets verbouwen. De drie grondsoorten zijn wel geschikt voor extensieve veeteelt met geiten en schapen en Malpais stond dan ook vooral bekend als vee plantage en melkveeboerderij.

Veeplantage
Op de vruchtbare delen van de plantage werd intensief landbouw bedreven en ook de zoutpannen in de Sint Michielsbaai bleken, zeker in de jaren van 1821 tot 1837 productief: Norbert Hendrikse vermeldt in zijn boek Hollandse Glorie in de colonie dat Malpais in 1821, 1832 respectievelijk 2920 en 4600 vaten produceerde. Verder waren ook de productie van brandhout en verkoop van mest, indigo en het vee, bronnen van inkomsten voor de eigenaars van Malpais. Zoals eerder vermeld werd te Malpais ook koper gevonden, maar bleek de productie niet rendabel.

‘De Bataille van Malpays’
Het landgoed was in 1713, tijdens de ‘Bataille van Malpays’ het strijdtoneel tegen de Fransen die, onder leiding van viceadmiraal Cassard, nabij Santa Cruz aan land waren gekomen. Cassard marcheerde naar de stad om overgave van het eiland te eisen, maar kwam te Malpais de Nationale garde van 500 man tegen en de strijd brak uit. De Nationale Garde bestond echter uit ongeoefende burgers en buitenlandse matrozen die het eilandsbelang zeker niet voor ogen hadden en bovendien wegrenden en aldus was de strijd snel beslist tegen de beter geoefende Franse manschappen.
De Nederlandse commandeur verzamelde daarop zijn manschappen en waagde, aangevuld met versterking uit de stad, een tweede poging om Cassard tegen te houden. Zij werden echter weer verslagen te Malpais en Cassard rukte op naar de stad, nadat hij flinke vernielingen had aangebracht op het landgoed. Ook belegerde en beschoot hij de stad dagen achtereen om tenslotte met een flinke buit aan losgeld de aftocht te blazen.
Ook de Engelsen landden bij Fort te Sint Michiel in 1803 en 1804 en lieten een spoor aan vernielingen achter op hun weg naar Malpais.
Dorpjes
Het begin van Malpais, aan de kant van de Weg naar Westpunt , dicht bij het kleine zenderhuisje, heet Cunucu Largu of ook wel Daanchi Bon, naar de goedaardige man Daniël die eens daar woonde. Het ligt ten oosten van Seru Jamanika waar een heuveltje staat met fundamenten van een paar oude huisjes, waarvan één groter is dan dat van een doorsnee kunukuhuis. Ze zijn ontdekt door de Werkgroep Archeologie die ook op de weg ten noorden van landhuis Malpais, fundamenten van huisjes, de ruïne van een oventje vond. Ook ontdekte men heel veel artefacten die na onderzoek, uit de 19e en 20e eeuw bleken te dateren. Verder zijn veel 18e -eeuwse kelderflessen gevonden , wat erop kan duiden dat het dorp al in de koloniale tijd bewoond was.
Een derde dorp op Malpais zou dichter bij het landhuis gelegen hebben, precies op de plaats waar nu het kerkgebouw van de familie Bakhuis is gebouwd.

Mount Pleasant
Malpais heette vroeger ook wel Terburgh a Texel en werd in 1798 verkocht aan Gerardus Duyckinck die uit Nieuw Amsterdam, het tegenwoordige New York, kwam. Duyckinck wilde van de naam Malpais af. En bepaalde in een schriftelijke officiële verklaring dat zijn plantage, toen bestaande uit Groot en Klein Malpais (Weitje) voortaan Mount Pleasant zou heten, naar een stadje in het Amerikaanse South Carolina. Dat gebeurde op 9 januari 1810. De plantage werd daarna afwisselend Malpais of Mount Pleasant genoemd, maar uiteindelijk bepaalde de volksmond dat het Malpais zou blijven.

Landhuis Malpais
Het plantagehuis stamt uit begin 18e eeuw. Aan de zuidkant- tevens de voorkant van het landhuis- stond tot 1953 de overblijfselen van een oude batterij. Ook lagen er ten zuiden graven en een kleine kelder dat vroeger als strafput werd gebruikt voor slaafgemaakten.
Brenneker vertelt dat er vroeger twee houten beelden, een man en een vrouw, voor het landhuis stonden: Tutui en Canina, die beiden een schort droegen. Achter het landhuis zijn nog de restanten van een melkhuis te vinden, waaronder vroeger een gevangenis was gebouwd. Het ligt aan een zandweg dat vroeger op de Weg naar Westpunt aansloot.
Landhuis Malpais werd van 1820 tot 1910 bewoond door de familie Gorsira. Shon Gorsira reisde veel en bracht zaaden van planten mee zoals Korona di Hesus die op Malpais en ook op Zuurzak -eens eigendom van de familie- werden geplant.
Het landhuis is tegenwoordig particulier bezit en een deel wordt gebruikt als tehuis voor opvang van minderbedeelde kinderen.

Ramsar gebied
De uitgestrekte voormalige plantage is één van de weinige natuurgebieden op Curaçao. Het staat bekend om haar unieke flora en fauna met diverse dieren die vrij zeldzaam zijn of met uitsterven worden bedreigd, zoals de Curaçaose hert en de flamingo.
De hier aangelegde dam van de Shell is, samen met het nabijgelegen binnenwater van Sint Michiel, sinds 5 februari 2013 erkend als Ramsar– gebied waar internationale normen gelden ten behoeve van duurzaam behoud van watergebieden. Dit Ramsar verdrag oftewel Wetlandsconventie is in 1971 in Ramsar (Iran) afgesloten.

Sisal
In 1909 werd een deel van Malpais gebruikt voor een grootschalige proefaanplant van sisal. Uit sisal werd vezel geproduceerd als grondstof voor touw. Het project werd gesubsidieerd door de overheid, maar pas na een herstart in 1916 en 1919 kon men de eerste vezels verwerken en naar Nederland en de Verenigde Staten verschepen. Helaas ging het bedrijf, mede door de aanhoudende droogte, gebrek aan financiën en het feit dat het project te groots werd opgezet, in 1922 failliet. De sisalfabriek werd daarop ingericht als het melkhuis van de veeplantage.

Shell
De Shell, die steeds op zoek was naar meer grondwater ten behoeve van haar bedrijfsactiviteiten, kocht in 1929 de voormalige plantage voor 119.000 gulden. J. van Soest schrijft in Olie als water dat men direct daarna besefte dat dit een miskoop was omdat Malpais lang niet het benodigde hoeveelheid water kon opbrengen. In 1944 werd zelfs een Venezolaans wichelaar in de hand genomen, wat weer vuur aan het oude verhaal gaf dat hier een waterrijke ader zou zitten. Hij wist zelf de plek aan te wijzen: de stroom zou de Weg naar Bullenbaai kruisen, enkele meters vóór de ingang van Malpais.
Hoewel niet genoeg om in haar behoefte te voorzien werd hier door de Shell de grote L- vormige dam van Malpais aangelegd. Dit was om het water op te vangen en deze door een grote elektrische pomp en een buizenstelsel naar de raffinaderij te sluizen. De restanten van de pompinstallatie zijn nog in de droge vallei te zien.
Ten tijde van hevige regenval stijgt het water ter hoogte van het platform waar de pomp op stond en steken alleen de kruinen van de bomen in de dam nog boven water. Gedurende die periodes zitten hier ook veel visjes en garnalen in de dam en trekt het water ook vogels en andere dieren aan. Tijdens de droge perioden verdwijnt het meer weer, mede door een lek onderaan de dam waardoor het regenwater er snel weer uitloopt. Dat verklaart de naam die men aan de plek heeft gegeven: Lago Disparsé oftewel ‘het verdwenen meer’.

Kalkstenen dam
Vóór de aanleg van de dam door de Shell werd het krachtig stromende regenwater vanuit de omringende heuvels ‘getemd’ door een meterslange kalkstenen gemetselde dam. Het regenwater werd zo gedwongen om over een groter oppervlakte in de grond te dringen. Door de dam, dat nog in goede staat van onderhoud verkeert, werd ook de vruchtbare grond dat naar de zee zou stromen, opgevangen. Met de bouw van de Shell dam wordt de grote stroom regenwater nu opgevangen in de Lago Disparsé.
Vlakbij de kalkstenen dam liggen een aantal vrij intacte indigobakken, die vroeger gebruikt werden bij de bereiding van de blauwe kleurstof uit de Indigoplant.
Van Malpais zijn veel mensen weggetrokken toen de Shell het terrein opkocht en bepaalde dat er geen stenen huizen en ook geen putten aangelegd mochten worden. De meeste bewoners aan de tegenwoordige Kaminda Mgr. Dr. Amado Römer- de vroegere Weg naar Bullenbaai – woonden vroeger in Malpais. Amado Romer was jarenlang pastoor van Jandoret en stond bekend als sociaal activist.

Zie ook deel 2: De baaien van Malpais.
Met dank aan: François van der Hoeven, de Werkgroep Archeologie en Frensel Mercelina.

Bronnen:
Van Malpais tot Wechi- Antilliaans Dagblad 2009 : E Langenfeld
Olie als water – J. van Soest
Beschryving van het eiland Curaçao – G. J. Simons
Opkomst en ondergang van de Curaçaose sisalcultuur, Napa 18 januari 2020 : J. van Ditzhuizen
Van kolonie tot Emancipatie – J. Hartog
Konosé bo isla – Extra 21 yuni 2003
Werkgroep Archeologie: diverse verslagen over Malpais
Sambumbu: diverse edities
Landhuizen vann Curaçao- D.Huijgers en L.Ezechiëls