Marie Pompoen
Marie Pampoen
De Marie Pampoen (Maripompún, Matalea rubra) is een wilde, geneeskrachtige klimplant met hartvormige bladeren. De guiambo-achtige vrucht heeft zachte stekels en zaden met zaadpluis. Het wordt als groente in gerechten bereid en de rank gebruikt men tegen slepende hoest. Ook goed voor kinderen die tandjes moeten krijgen, maar te veel schaadt het verstand:’ ta sera sintí’.
Volgens de overlevering groeide deze plant weelderig in Marie Pampoen maar men vertelt ook dat hier een zekere Maria Pompoen woonde. Haar -toen eenzame- huis stond in het oosten van de wijk, op dezelfde locatie waar jaren geleden het restaurant Villa Elisabeth stond, tegenover het Curaçao Princess Beach Resort. Vlak hierbij lag ook eens de verlaten gouvernementsput, de Pos di Rey, oftewel de Koningsput.
Marie Pompoen wordt door Brenneker omschreven als een woonwijk aan zee, ten oosten van het landgoed Vianen aan het eind van de Penstraat. De wijk wordt in het oosten begrensd door Koraal Specht.
Marie Pampoen,alias Steenwijk
Volgens documenten uit 1713 heette Marie Pampoen vroeger Steenwijk. Dit was een plantage van de familie Specht, voormalige eigenaars van de gronden waar nu de volkswoningen van Koraal Specht zijn gebouwd. Uit een correspondentie tussen een aanverwante van de familie Specht en de Werkgroep Archeologie, blijkt dat Koraal Specht ophoudt bij de gevangenis in Kaya Shèrs in Koraal Specht. Het gebied ten westen van de gevangenis en ten oosten van midden Marie Pompoen stond vroeger bekend als plantage Steenwijk, later ook bekend als Erven Peuckert, Stone Ville (!), Kabes Stophile(s),Stoffiel, Stofis of Stofiles . Het lijkt erop dat het gebied Steenwijk geleidelijk aan naar het westen is verschoven of uitgebreid. Het landhuis Steenwijk is jaren geleden herontdekt door de Werkgroep Archeologie en schijnt om een kalkhuisje gebouwd te zijn.
Bij Stoffiel werd namelijk met brandhout een veldkalkoven aangestoken ten behoeve van de bouw van de kerk van Santa Rosa dat 4 jaar zou duren.
Buitenverblijf
Volgens de auteur W.E. Renkema zou Steenwijk al in 1857 de naam ‘plantage’ niet waardig zijn en was het eerder een buitenverblijf zoals de nabijgelegen Vianen, Marie Pampoen en Chère Asil.
De eerste koopakte van Maria Pompoen, dd 7 januari 1791, staat op naam van Jan Hendrik Specht. De Nederlands-joodse familie Specht, bezat naast Steenwijk (Marie Pampoen) ook de nabijgelegen plantages Labadera ( ‘t Waschtuin), Dominguito (Fortuin), Vredenberg en ’t Coraal( Koraal Specht).
Steenwijk werd dus later Maria Pampoen (1827), Marie Pompoen (1845) of Groot Marie Pampoen (1921) genoemd. In Marie Pompoen lag ook een locatie dat Klein Marie Pompoen werd genoemd. Een deel van Klein Marie Pompoen werd door de overheid aangekocht en aan de huidige Steenrijk toegevoegd in verband met de bouw van volkswoningen.
Van Fleur de Marie naar Marie Pompoen
Marie Pompoen is het oudste wijk dat door de Nederlandse regering is gefinancierd en werd opgebouwd in de 40-er jaren nadat Punda en omliggende bario’s zoals Fleur de Marie, Zwan en Sint Jago overbevolkt raakten. Zo kwamen immigranten uit Bonaire, de bovenwinden en Suriname op Marie Pampoen te wonen, maar ook arbeiders uit Banda Bou.
Veel bewoners uit armoedige houten huizen in Fleur de Marie en Penstraat kregen door de overheid – lees: de Democratische partij – betere woningen in Marie Pompoen toegewezen. De huizen in voornamelijk de Fleerchi- en Makreelstraat waar de wijkleiders van de partij woonden, werden jarenlang alleen maar rood geschilderd, met een zwarte onderkant, als teken van dank aan de democraten.
Maria Pompoen zou onder de naam Marie Pampoen uitgroeien tot een grote bario, (203 woningen sinds 1948, met een uitbreidingsplan van nog 156 stuks). In de eerste fase werden namen van gemeenten en plaatsen in Nederland gebruikt als straatnamen, in de 2e fase werden Papiamentstalige namen van vissen gebruikt.
Baaitjes
Bij Marie Pampoen liggen een aantal kleine baaitjes zoals Boka Dèpo (genoemd naar een bewoner), Boka di Plein ( bij Margrietplein) en Boka Papurèshi ( herkomst naam onbekend). Dit waren baaitjes waar riolering in uitmondde en men niet kon zwemmen als de wind ‘gedraaid’ was. Tussen Dèpo en Papurèshi in ligt de Boka di Heru waar alle machines en boilers van de vroegere steenbrekerij te Steenrijk en bijbehorende railspoor en karretjes zijn gedumpt.
Tussen Marie Pampoen en Koraal Specht lag ook de Cornetsbaai, een klein baaitje dat in de Spaanse tijd Bahia Careotabo of Cariatavo werd genoemd. Deze indiaanse naam komt nog voor op oude Spaanse kaarten maar wordt op de topografische kaart van Werbata uit 1911 niet met name genoemd. Een cornet was ten tijde van de WIC de aanvoerder van de ruiters.
Het baaitje was sinds aankomst van de Nederlanders alleen toegankelijk voor kleine vaartuigen met weinig diepgang. Ook stond hier een waterput en was er een boomgaard met goede aarde en diverse oranje-,lemoen-, granaatappel- en andere vruchtbomen dat door een matrozenwacht bewaakt moest worden tegen rovende soldaten.
In 1638 konden kleine schepen nog binnenvaren bij de Cornetsbaai. In 1713, toen de Franse vrijbuiter Cassard Curaçao dreigde binnen te vallen werd hier een opvallend verdedigingswerk opgezet bestaande uit meel -en broodvaten die met aarde en stenen waren gevuld. Waarschijnlijk stond daarna wel een echt fort, dat in 1799 door gouverneur Lauffer werd vervangen door een tweede exemplaar. Van het fort is tegenwoordig niets meer te zien, ook niet van de Cornetsbaai, dat waarschijnlijk is gedempt voor de toeristische ontwikkeling in het gebied.
Brenneker maakt ook melding van Boca di man grandi (Inham van de grote hand) dat hij omschreef als “het vaak droogstaand binnenwatertje ten oosten van Marie Pompoen”. Zou dit hetzelfde zijn als de Cornetsbaai?
Meer naar het oosten toe, bij Bapor Kibrá is een plek bij het Seaquarium waar het wrak van de gezonken stoomboot, de Oranje Nassau ligt. En verderop dichtbij Jantiel ligt de Cornelisbaai, waar de boot van de visser Cornees altijd voor anker lag
Liverpool en koeien
Terug naar Marie Pompoen. Heel bekend in de wijk Marie Pompoen was de Toko di Weiki, van de familie Eddine, eigenaars van landhuis Vredenberg en de grond ten oosten daarvan. Te Marie Pampoen hadden zij ook een hofje en een kudde koeien die vrij in de bario ronddwaalden en bij Boka Dèpo gingen grazen. Er ontstonden verkeersopstoppingen als een koe eenmaal besloten had om op een bepaalde plek te gaan liggen en kinderen moesten ‘savonds vroeg naar binnen omdat ‘baka ta bin !’ (‘de koeien eraan kwamen!’).
Vanwege de talrijke banda di kitara plat– zoals de beat bands werden genoemd, stond Marie Pampoen ook wel bekend als Liverpool. Bekende muzikale groeperingen waren The Thunderclouds, Telstars, The Spacemasters, The Vendors en Head, Heart and Hands. Het theater waar deze optredens werden verzorgd is thans een supermarket.
Steenmijn
Naast Steenrijk en Steenwijk komt ook de naam Steenmijn in de buurt voor. De voormalige slaafgemaakte vrouw van de familie Specht, Angelista Steenmijn kreeg het stukje huurgrond dat tegenover landhuis Vredenberg lag, te huur van de overheid. Steenmijn is bij de aanleg van de volkswoningen in Koraal Specht, in laatstgenoemde wijk opgegaan. Alleen de naam Steenmijnweg herinnert nog aan dit stukje grond.
Marie Pompoen is de afgelopen jaren volop in ontwikkeling als recreatiegebied voor zowel voor de lokale bevolking als buitenlandse bezoekers.
Bronnen:
- Werkgroep Archeologie: verslag Landhuis Steenwijk
- P. Brenneker: Sambumbu, diverse edities
- E. Langenfeld: Curaçaose straatnamen, De Makelaar, oktober 2002
- Ministerie SOAW: Buurtprofiel Steenrijk
- W.E. Renkema: Het Curaçaose plantagebedrijf in de 19e eeuw.
Met dank aan: François van der Hoeven, Frensel Mercelina, Fred Chumaceiro, Umberto’ Tico’ Gonzales, Karel Martel, Unidat di Bario, Fundashon Sosial Marie Pampun, Christel Monsanto en Curaçao Tourist Board, CTB.