Siberie

Siberie

Siberie, ook wel Sint Jooris en nog lang ‘Malpais’ genoemd, is een plantage dat werd afgesplitst van de grotere overheidsplantage Malpais*. Het werd door Brenneker omschreven als “een knoek, aan de Weg naar Bandabou, ten zuiden van San Pedro en met een stenen omheining”.

Het dankt zijn naam aan een opmerkelijke eigenaar: Silberio Cafiero alias Serviero Cafiero, een zakenman uit Genua die zich vanuit Venezuela op Curaçao had gevestigd. En hoewel diverse immigranten uit Venezuela zich op het eiland vestigden kochten zij zelden een plantage. Silberio was dus duidelijk een uitzondering toen hij in 1784 de plantage kocht, tezamen met het aangrenzende Jan Kock. Zijn naam komt in alle mogelijke varianten voor in koopaktes, maar zelf tekent hij Saverio Cafiaro. Hij noemde zichzelf ook Basilie en woonde eens in Otrobanda, dichtbij de basiliek van Santa Anna. Hij was devoot katholiek en zijn naam verschijnt als peetoom diverse malen in de doopboeken. Hij was getrouwd met Catharina en had tenminste 5 kinderen: Pascual, Louis, Gertruida, Valentina en Celedonia.

Mogelijk kwam Silberio Cafiero naar Curaçao als zakenman en wist hij na een fortuin te hebben gemaakt, de twee plantages te kopen: pas na 1784 verschijnt zijn naam als ‘slaveneigenaar’ in de doopboeken.

Jan Kock

De koopakte van 24 februari 1784 vermeldt dat “aan een en dezelfde eigenaar verkocht zijn de plantages 1:Malpais, thans Sint Jooris, met opstal van huys en privelege van koe, schapen en geytencoralen;

En 2: een plantage genaamd Zevenhuyzen en Poos Mange, benevens een canoekje genaamd Bagadera of Cribus, met privilege van schapen en geytencoralen, ten zuiden van de plantage Sint Jooris.”  Zevenhuyzen is een alias voor Jan Kock, als het zevende gebouwde landhuis in de vallei van Rif Sint Marie.

Sint Jooris is de naam dat Cafiero aan zijn landgoed gaf, maar sinds hij eigenaar werd bepaalde de volksmond dat het Siberie zou heten. Silberio was eigenaar van de plantage Siberie toen de vrijheidsstrijd van de tot slaafgemaakten in 1795 uitbrak en diverse van zijn bedienden moesten voor het gerecht verschijnen, een enkele zelfs door Silberio aangegeven. Sommigen werden onschuldig bevonden en keerden terug naar de plantage maar anderen zoals Tony, werd geradbraakt als straf voor zijn participatie.

Inventarislijsten

Toen Silberio Cafiero in september 1797 overleed, bezat hij nog de plantages Siberie en Jan Kok. Christel Monsanto en Martin Visman doken in zijn testament en inventarislijsten om een beeld te krijgen van het leven op alledag op deze plantages en concluderen dat beide plantages gezamenlijk bewerkt werden: voor Siberie werd het vee genoemd en voor Jan Kok de slaafgemaakten. De inrichting van het woonhuis van Siberie was opgevoerd. Voor Jan Kok werd geen woonhuis of inrichting vermeld en in 1784 slechts een stenen magazijn en enkele ommuurde veekoralen.

Er stonden er 170 stuks hoornvee en de nodige Keulse melkpotten, koperen melkkannen, tobben, emmers, karngerei voor bereiden van boter en botervaatjes. Buiten gereedschappen had men als bewapening 18 snaphanen en 12 bajonetten. Ook was er een complete scheepsuitrusting waaruit de conclusie getrokken kon worden dat vanuit Jan Kock op het binnenwater van Rif Sint Marie en daarbuiten in de Bullenbaai werd gevist. Verder stonden er op de inventarislijsten pontjes met pagaayen voor vervoer van gewonnen zout in de zoutpannen.

Daarnaast bestond de veestapel uit meer dan 800 schapen en 76 kabrieten. Op Jan Kok leefden 103 slaafgemaakten waaronder 14 kinderen. Er werkten 2 bomba’s (opzichters): Louw (‘opperbomba’) en Juantu (‘onderbomba’), 2 tot 4 metselaars, 1 schoenmaker, 1 kuiper, 2 schilders, 1 leerbereider, 1 visser, 2 paardenknechten (baké), 5 schaapwachters, 3 cabrietwachters, 2 koewachters en 2 hoveniers voor de moestuin. Onder de vrouwen waren er :1 voedvrouw, 1 wasvrouw, 3 bakkers, 2 nettenbreiers, kokkinnen, kalkoenwachters en verkoopsters. De laatsten gingen dagelijks naar stad om het overschot aan groenten,fruit en melk te verkopen. Niet van alle slaafgemaakten werden de beroepen genoemd.

Siberie als buitenverblijf

Monsanto: “In het grote magazijn van Siberie lagen 1500 makotten maïs, in het kleine magazijn bewaarde men de vissers kano, vier ossenkarren, vier zadels, waaronder een vrouwenzadel, voor de 13 paarden en zeven zadels voor de tien ( spring-, draag- en muylezels) plus het gereedschap.

De vurenhouten meubels van het woonhuis Siberie waren zeer eenvoudig, wat erop zou kunnen wijzen dat Cafiero zich langdurig in zijn stadhuis buiten de Stenen Padspoort (Pietermaai) ophield. Cafiero bepaalde in zijn testament dat zijn broer Pasqual Cafiero en zijn huishoudster, met wie hij een buitenechtelijk kind had, zijn bezit zouden erven. Cafiero was zelf katholiek maar legateerde sommen geld aan zowel de katholieke, de hervormde als de joodse gemeente” aldus Monsanto.

Hypotheekschulden

Ook Cafiero’s zoon Pascual was aan de kerk verbonden en bleek in 1804 één van de initiatiefnemers om de basiliek van Santa Anna te restaureren na een Engelse aanval op de stad. Tijdens de daaropvolgende droge periode maken planters op Curaçao moeilijke tijden door en ook Siberie bleef dit niet bespaard. Onder het Engels bewind in 1807 moesten de Cafiero’s hypotheek aflossen en stierf Pascual in 1813 met achterlating van een hypotheekschuld. Het landhuis Jan Kock was toen al jaren een ruïne en samengetrokken met Siberie. En in 1815 woonde zijn moeder, de weduwe van Silberio in een huurhuis van de kerk in Otrobanda.

De inventaris van Siberie vwb het vee was in die tijd: “129 koebeesten, 808 schapen, 473 cabrieten, 36 paarden, 4 springezels, 24 draagezels, 1 muilezel, 183 kalkoenen, 271 hoenders , 173 eenden , 2 vlugt duyven* en 43 gansen”

Productie

De plantage Siberie was reeds aangelegd in de 17e eeuw en in 1695 werd mais, katoen en indigo verbouwd. Ook was er een aanplant van Dividivi waarbij men op Siberie een primitieve manier hanteerde door het zaad met geitenmest te vermengen en deze uit te zaaien. Dividivi was vroeger een exportproduct, waarvan de peulen in de leerlooierij-industrie werden gebruikt.

Zoals gebruikelijk was er ook een hofje op de plantage: de grond van Siberie was vruchtbaarder dan bij naburige plantages maar ook de toepassing van moderne landbouwtechnieken maakte dat Siberie, in tegenstelling tot de nabijgelegen Grote Berg en Daniël, zeer rendabel was.

Een belangrijke factor was dat Siberie, hoewel het niet aan de zee grenst, ook zoutpannen had in de baai van St. Marie, nabij Jan Kock. In droge tijden was zout een belangrijke inkomstenbron voor plantages en in 1841 kon men door droogte al in februari zout uit de Siberie-pannen ‘oogsten’. Zo werd in 1837 4777 vaten zout geproduceerd. Rond 1904 werden vezelagaven geïmporteerd uit Trinidad en Suriname en onder andere op Siberie uitgezet. Uit vezelagave – Pita- werd onder andere touw geproduceerd.

Curaçao Likeur 

In 1905 stonden op Siberie 300 oranjebomen en was het één van de grootste oranjerieën op Curaçao. En dus één van de belangrijkste leveranciers van de citrusvrucht laraha, waarvan de schil het basis ingrediënt levert voor de Curaçaose likeur.

Er werd ook veeteelt bedreven, maar de import van besmette vee op Siberie verspreide eens ziekte onder de Curaçaose veestapel, waardoor verbod op import werd opgelegd. Het bedrijven van veeteelt, evenals de landbouwtraditie op Siberie werd lang in de twintigste eeuw nog voortgezet door een Portugese ondernemer.

Achterkant werd voorkant

Op een foto van rond 1900 is het landhuis te zien met de  oorspronkelijke verdieping erop. Verdere gegevens ontbreken, maar het verklaart wel waarom het huidige landhuis maar één verdieping heeft. Het schilddak is nu lager dan oorspronkelijk en heeft geen dakkapellen, waardoor het er vrij uniek uitziet. Bij landhuis Santa Catharina is hetzelfde gebeurd.

Opvallend is dat er geen gotensysteem is om het water op te vangen en of af te voeren.

Siberie heeft nog steeds een uitgebreide behuizing: het plantagehuis is op een verhoogd terras gelegen en heeft een gevelsteen waarin het jaar 1753 gegraveerd. De tegenwoordige voorkant van het huis aan de zuidzijde was vroeger de achterzijde. Een oude weg dat vanaf Daniël en Siberie over de heuvels liep, kwam uit bij de oude voorkant van het huis.

Verder staat op Siberie ook het stenen huis van de factoor, oftewel vitó, de opzichter van de plantage, compleet voorzien van een pannendak. Ook zijn er veewachters-, melk- en zogenaamde kweekhuizen, schuren en veekoralen en niet minder dan 4 magazijnen.

Slavendorp

Direct naast het huis van de opzichter, ten westen van het plantagehuis lag in 1866 een dorpje bestaande uit 40 hutten van slaafgemaakten en woonden er 90 mensen. In 1867 stonden er 47 hutten en was het aantal inwoners 129 en in 1873 waren er 37 hutten en 138 inwoners. Iedereen die rondom een landhuis woonde, vertrok naar de Grote weg (de Weg naar Westpunt). Van dit dorpje zijn, tot aan de voet van een heuveltje, alleen nog maar enige fundamenten over van huisjes en ovens.

Ten noorden van de weg naar het landhuis ligt er ook een dam met een hele grote inloopput, een natuurlijke wateropvang dat Pos Hanchu werd genoemd. Kenmerkend voor Siberie was verder een stenen omheining waarvan grote gedeelten tot in de 20 e eeuw nog vrij intact waren. Pogingen om deze muren te conserveren en te behouden als historisch monument liepen echter op niets uit en deze zijn nu bijna geheel verdwenen. .

Gerard Ellis

In 1814, na overlijden van Pascual Cafiero, kwam de plantage via de ‘weeskamer’ (hypotheekbank) in handen van Gerard Martin Ellis. De familie Ellis stond bekend als plantersfamilie en bezat al diverse plantages zoals Santa Cruz, Savonet, Zorgvliet, Brievengat, Groot Santa Martha , Ronde klip en Knip. Gerard was zelf eigenaar geweest van Tera Seca (nu Janwe), plantage Noordkant en de grote plantage De Drie Gebroeders (alias Veeris) die hij nu verkocht om Siberie over te kunnen nemen. Hij bezat ook een scheepswerf in de stad.

De inval van Engelsen in de buurt van Rif Sint Marie was een ramp voor plantage- eigenaars: diverse landhuizen in de buurt zoals Sebastian en Porto Marie werden verbrand en slaaf gemaakten vluchtten weg naar een veiliger heenkomen. Zo waren er op Siberie en Jan Kock eens 120 slaafgemaakten aan het werk, maar bij aankoop van de plantages door Ellis alleen nog maar 6 op Siberie en 2 op Jan Kock. Ook de veestapel was uitgedund tot 4 ossen, 8 koeien, 12 kalveren  en 400 schapen . Een troost voor Ellis was dat het plantagehuis van Siberie wel bespaard is gebleven tijdens de Engelse inval.

Ellis verkoopt stukken grond uit Siberie zoals Cribus  aan Jan Römer die het knoekje ‘Korporaal’ noemt, de naam waaronder het nog steeds bekend is. Korporaal is nooit meer toegevoegd aan Siberie en werd steeds kleiner qua oppervlakte.

Ellis blijft minder dan 20 jaar eigenaar van de plantages  Siberie en Jan Kock. In 1832 sterft hij in Venezuela op 52 jarige leeftijd. Daarbij bleek dat hij niet minder dan 15 kinderen had verwekt .

August Muller

In 1830 werd August Leberecht Statius Muller (22.1.1798- 9.9.1884) officieel eigenaar van Siberie. Officieus fungeerde hij al sinds 1828 als eigenaar van zowel Siberie en de nabijgelegen knoekjes Duzu en Baai Klaas. Muller was zakenman, grondbezitter, lid van de rechtbank en eigenaar van het nabijgelegen plantage San Sebastian en lid van de Raad van Bestuur in de kolonie. Verder was Muller van 1823 tot 1876 redacteur bij de Curaçaosche Courant In 1833 werd hij mede- eigenaar van de drukkerij/uitgeverij en tot landdrukker benoemd. Hij was tevens districtmeester en schreef als zodanig vele oogstrapporten die hij steevast ondertekende met ‘August Muller’. Hij meldde trots dat hij maar 1 keer in de veertien dagen zijn twee plantages hoefde te bezoeken omdat het dagelijkse management in handen was van een zwarte factoor, oftewel de vitó.

Zout, het witte goud

Muller kwam ook met het initiatief om de export van Curaçaose zout naar Nederland te bevorderen, had veel belangstelling voor de agrarische sector, bezat veel literatuur over landbouw en deed met overgave mee in de agrarische-en veeteelt technieken die de overheid liet ontwikkelen. Muller was, evenals van der Dijs (Savonet) en Sprock ( Brievengat en Cas Cora) één van de weinigen die mest gebruikten, een voor die tijd modern landbouw experiment. Ook waren Sprock en Muller enkele van de weinige planters die zich waagden aan de nogal kostbare cochenilleteelt. Muller kon dit bekostigen dankzij inkomsten uit de commercie en de drukkerij. Zo werden begin 1841 op Siberie nopaleriën aangelegd ten behoeve van de cochenille, een schildluissoort dat graag op de nopalcactus groeit. Het levert rood pigment, cochenille of karmijnrood genoemd, een natuurlijke kleurstof dat vroeger zeer populair was in de kledingindustrie.

Proeven met cochenille waren niet succesvol op Curaçao, maar uit oogstrapporten van de westdivisie blijkt dat Siberie goed was voor 92,5 pond  in 1844,  450 pond in  1850 , 100 in 1854 en 300 in 1856.

August Muller overlijdt in 1887 in Venezuela, waar hij toentertijd woonde. Siberie, Sebastian en de rest van zijn bezittingen  op Bándabou had hij in 1876  voor  fls. 28.000,- verkocht aan zijn drie ongehuwde dochters Cornelia Helena, Petronella Wilhelmina en Jannetje Magdalena Muller.

Opvallende locaties te Siberie

Porto di pilá ligt in het uiterste zuidwesten van Siberie; daar stond een poort met pilaren als doorgang naar Jan Kock., dichtbij de streken Gomasi en Wan Boneiru.

In het oosten van Siberie ligt Shon Manuela , tegenwoordig onderdeel van Tera Kora en Mondi di Siberie is de vlakte ten oosten van Siberie.

Pos Shimaron (put van de weggelopen slaafgemaakte) is een natuurlijke wateropslagplaats in het noorden van Siberie, tegenover Krakeel. Uit de rotsen druipt wat water, maar vroeger was het zoveel dat de gehele bevolking van Krakeel daar drinkwater ging halen.

Fontein Chikí oftewel Klein Fontein is een plaats ten zuiden van Fontein en ten noordwesten van Siberie. Kunuku di Katoen is de noordwestelijke uithoek van Siberie, tegen Klein Fontein aan en Seru di kunuku di katoen -150m- is de bergpunt van het bergplateau aldaar.

Kurá di kabai, Paardenkoraal, is een plaats midden in Siberie, ten westen van het landhuis. Ook midden in Siberie ligt de Seru di Anita (127m), genoemd naar een vrouw die waarschijnlijk in de buurt woonde. Het ligt vlakbij Seru di Dake (148 m) -ook wel Dákwe genoemd.  

Seru di  Nika, een uitstekende punt van de platte berg, en Seru di Dundun liggen beiden in het noordoosten van Siberie

Ten zuidwesten van het landhuis, liggen de Pos di Ema en de Pos di Atras. En ten zuiden van het landhuis: de Seru di Santana, (de kerkhofberg) 116 m. Aan de voet hiervan, werden baby’s begraven, maar zonder enig gedenkteken. Hier ligt ook de Dam di lechi.

Rooi di Santu is een rooi en Cunucu di Santu ( Zandknoek) is een plaats in het in het zuiden van Siberie. Ook Klein Jan Kock is in het zuiden van Siberie te vinden.

*Makotten zijn waarschijnlijk manden , in papiamentu ‘ makutu’

*Een vlucht duiven waren 20 paar duiven, dus 40 in totaal. Sommige huizen hadden 2 vluchten duiven. Duiven werden vroeger ook gegeten.

Bronnen:

M. Visman: de geschiedenis van Jan Kock

C. Monsanto : Kleine kroniek van San Sebastiaan

W. Renkema: Het Curaçaos plantagebedrijf in de 19e eeuw

P. Brenneker – Sambumbu- diverse edities

J. van Soest: Olie als water

Werkgroep Archeologie – verslagen over Siberie

Met dank aan: Christel Monsanto, Helma Maduro Molhuijsen.,Francois van der Hoeven,.Fred Chumaceiro en  Michele van Veldhoven